dinsdag 11 februari 2025

Het werk en mijn vader

In de jaren zeventig veranderde Heerlen in een onderwereld, met zombies en andere stumperds, sjravelere. Daarvoor was er ook al een onderwereld, de mijngangen, die nu op tv worden herdacht. Mijn vader werkte bovengronds, bij de salarisadministratie. Soms gingen we uit de stad langs zijn werk, waar we wachtten bij de ingang van de kantoren. Hij liep dan met ons mee naar huis.

Ik weet niet of dit echt zo gegaan is, mijn herinneringen zijn te vaag en onzeker. Ik zal evenwel mijn betekenissen moeten halen, delven, uit die vage, onzekere herinnering.

Voordat mijn vader dement werd, vertelde hij lange verhalen over de melkfabriek. Daar kwam hij terecht vanaf de mulo. Of misschien na nog een vervolgopleiding. Zie je, daar ga ik weer. Had ik maar beter geluisterd, of alles op de voicerecorder gezet. Maar hij praatte ook zo lang en veel.

Er springt nu uit dat mijn vader half verwikkeld raakte in ruzies tussen de leidinggevenden, daar op de melkfabriek. Hij wilde of moest er weg. Toen werd hij door zijn oudere broer Ben geholpen, die als ik me niet vergis bij de mijn werkte, in de personeelsdienst. Hij heeft mijn vader (min of meer?) zijn baan op de mijn bezorgd. De mijn was uiteraard de belangrijkste werkgever.

Ze verzorgden daar allerlei cursussen voor hun werknemers. Mijn vader had later nog stencils liggen over psychologie en sociologie. Daar op zijn werk moet zijn interesse in sociologie zijn ontstaan. Je kunt het denk ik vergelijken met Philips in Eindhoven, die allerlei educatieve en culturele zaken aanbood aan zijn werknemers.

Voordeel van mijn onvermogen tot luisteren en onthouden is misschien dat er iets komt bovendrijven in die soep van halve, onbetrouwbare herinneringen. Nu is dat het besef dat je in Heerlen kunt hebben gewerkt, op de mijn nog wel, en tegelijk een zekere losheid kunt hebben in je verbondenheid met dat werk. Door die toevallige binnenkomst via zijn broer en door die sociologie realiseerde mijn vader zich volgens mij dat de wereld groter was dan de mijn. Hij was niet de mijn.

Daar kan ik me wel in vinden. Ik zit in de trein op weg naar mijn werk en typ deze blog op mijn telefoon. Ik doe daar de dingen die ik daar behoor te doen. Het klikt best vaak met de mensen daar. Maar de wereld is groter dan mijn werk.

En: ik ben er ook maar terechtgekomen.

Niet dit gebouw, maar ernaast


zaterdag 25 januari 2025

Naar buiten - De film Conclave

Bij een film is het moeilijk om te zien in welke ruimte je bent. Speelt die film zich in het Vaticaan af, zoals Conclave, dan wil je weten of het echt de Sixtijnse kapel is en als je in de verte de Sint Pieter ziet, denk je dat de binnenplaats beneden ook echt bij het Vaticaan hoort. Gelukkig had ik filmfreak Maarten bij me die erachter kwam dat de Sixtijnse kapel was nagebouwd in de Cinecittà bij Rome.

We hebben het over personae hier, en dan zit je in Rome meteen goed. Daar zijn de toneelmaskers niet uitgevonden, maar die andere intrigerende link, met de Etruskische halfgod Phersu die optrad bij lijkenspelen, is wel dicht in de buurt. Loop je door de Vaticaanse musea, dan kun je halverwege even weg uit de massa en zit je bij de Etruskische kunst en aanverwanten. Lekker rustig. Je ziet grafkisten met beelden die moeten hebben geleken op de begraven personen. Ze zitten bij te komen op hun eigen kist. Ongetwijfeld heeft het gebruik van de Romeinen om bij optochten afbeeldingen mee te dragen van hun voorouders (imago) hier wel mee te maken.

Ook mijn vader is niet ver weg. Hij had sinds de conservatieve draai in de jaren zeventig een hekel aan Rome, en daarvoor al een hekel aan het Rome van de Latijnse mis. Tien jaar eerder leek met paus Johannes XXIII alles te veranderen. De kerk moest worden opengegooid, 'bij de dag gebracht', aggiornamento. Mijn vader verzamelde alle krantenknipsels. Jaren voor zijn dood bedacht hij dat ik die moest erven van hem. Ze staan hierboven op zolder in tassen, twee zware tassen. Ik heb er nog niet naar gekeken, maar Inez wel. Ze wilde meer zicht op wie mijn vader was, er iets over schrijven in verband met Limburg en de mijnen, er zit inderdaad ook niet alleen maar materiaal over Rome in die tassen. Helaas geen subsidie, plan in de ijskast. De tassen wachten.

Je kunt mijn vader een gek noemen, of een teken van zijn tijd, maar er is iets in dat Vaticaan dat ons misschien weer gaat boeien. Ik vertelde je al over het essay van Amitav Ghosh, The Great Derangement, die erg te spreken is over de encycliek van paus Franciscus Laudato si' uit 2015, omdat, punt een, de dingen zoals onrecht en armoede in verband met het klimaat er gewoon worden benoemd en, punt twee, omdat de paus een potentieel miljardenpubliek heeft, en zijn morele gezag misschien iets kan betekenen tegenover al die mannetjesputters die alleen maar olie willen.

Die ruimte, welke ruimte. Voeg je al die religieuze leiders bij elkaar, dan hebben we het over de wereld. Ze kunnen ons iets zeggen over de verbondenheid met elkaar en over bewondering voor de schepping. Maar die wereld doet pijn, vertelt Plato ons in zijn befaamde grotvergelijking. Liever zitten we in onze comfortzone binnen, te kijken naar de bewegende beelden op de wand. God zal dus ofwel geweld moeten gebruiken om ons naar buiten te sleuren (zoals in The Matrix), of ons op een subtiele manier via die bewegende beelden Zijn verhaal moeten vertellen.

Nu horen wij de Waarheid liefst in het Engels. En omdat dit in het Vaticaan niet helemaal realistisch is, moet er af en toe ook Italiaans of Spaans worden gesproken. Latijn ook, in de rituele uitingen, als de pausen bij het conclaaf hun stem in het vat gooien, of bij de conservatieven die de Latijnse mis weer terug willen. Hoe lost regisseur Edward Berger dat op? Hij volgt het boek van Robert Harris die twee Engelssprekende bisschoppen als hoofdpersoon opvoert. Zo ontstaat al gauw een Agatha Christiesfeertje, versterkt door de gesloten ruimtes. De ruimtes waar we ons bevinden zijn de gesloten ruimtes die door gangen met elkaar in verbinding staan. Ruimtes voor onderzoek, gelobby, verrassende onthullingen. Gefluister en stemverheffingen.

We lijken met deze gesloten ruimtes helemaal weg uit de wereld. Die klinkt alleen in de verte, de juichende menigte op het Pietersplein, die we niet te zien krijgen. Om het drama te kunnen ontplooien moeten de kardinalen het contact met de wereld verbreken. Toch zijn er ook weer beslissende momenten, een beweging van een papierblad die je zou kunnen zien als het zuchtje van de Heilige Geest. Er worden aanslagen gepleegd in Rome. De wereld is in oorlog, en de kardinalen moeten een leider kiezen die vrede brengt.

Ik heb maar weinig gelezen van Harris, maar moest wel meteen denken aan zijn romans over Cicero. De dappere advocaat die afrekende met corruptie en het later als consul moest opnemen tegen de brute generaals met hun antidemocratische ideeën. De kracht van het woord. In Conclave zien we leider Lawrence op de eerste dag een preek afsteken waarin hij het heeft over zekerheid. Je moet twijfelen, bij geloof hoort twijfel, niet zekerheid. Uiteindelijk krijgt Lawrence zijn zin, al verklap ik niet hoe. Het gaat nu even over het geloof in de retorica van Cicero. Beschouw de film als een mechaniek waarin de waarheid van de waarheidssprekende persoon via verrassende omwegen bij zijn bestemming aankomt.

De film moet ons overtuigen door betoverende beelden te leveren waarin we het woord vergeten, maar ook weer zo dat we alleen die gesloten ruimtes te zien krijgen. Misschien zijn we zo gewend aan het medium film dat we maar heel weinig context nodig hebben om door te krijgen dat we ons in de wereld bevinden. Een zuchtje wind, een gerucht over een aanslag, een brekend raam.

Zo moet hoop werken. Mijn vader was sinds de jaren zeventig teleurgesteld in de Katholieke Kerk, maar zocht nog lang zijn heil in lokale groepjes waar het sociale aspect van de Kerk werd benadrukt. Steeds verder schoof hij op, naar de SP uiteindelijk, die haar jaarvergadering hield in de Royal, voorheen filmtheater, en inmiddels ook weer. De rode draad in deze beschouwingen is hoop, hoe kun je hoop houden in een wereld vol corruptie en oorlog. Een antwoord zou zijn: door belichaming, bijvoorbeeld tassen met krantenknipsels die ergens op zolder staan.

Een ander antwoord is de ruimte. Waar bevind je je? Maarten had ditmaal gekozen voor de stad Roermond. We praatten dialect (Maarten is gehecht aan rituelen, in Limburg moeten we dialect praten), we fietsten langs de kerken van de bisschopsstad, en langs de plek waar de IRA in 1988 zijn aanslag had gepleegd. In de liturgie wordt de beweging naar buiten gesymboliseerd door de slotwoorden 'Ite missa est', Gaat heen, dit is jullie opdracht. De gesloten ruimtes moeten opengegooid worden, de Engelssprekenden moeten Italiaans en Spaans spreken.

Pinksteren - Wikipedia


zondag 19 januari 2025

Liefde voor uiterlijk vertoon

De platen van mijn vader waren minder. Mijn moeder, die had duidelijk smaak. Het ging alle kanten op, veelal 45-toerenplaatjes met Schubert, Verdi, en een hoop populaire muziek van die tijd zoals Soeur Sourire. Ik denk ook dat zij begon met plaatjes. Pas later kwamen de platen van mijn vader. De eerste platen waren niet eens muziek, maar Toon Hermans. We vonden het geweldig om te luisteren naar de grappen, ook wel de liedjes, maar op een bepaalde manier ook naar de stukjes waar Toon iets visueels deed wat we niet meekregen, behalve via het lachen van het publiek.

Later kwam mijn vader met platen die hij denk ik niet had gekocht, maar cadeau gekregen ofzo. Het meest typisch voor zijn smaak was een LP met Karajan, vier stukken met spektakel: de Ouverture 1812 van Tsjaikovski, Finlandia van Sibelius, Les Préludes van Liszt en nog een stuk, ik geloof La Valse van Ravel. Ik wed dat mijn vader de plaat vooral mooi vond vanwege Ravel, van wie hij natuurlijk de Boléro kende. Maar hij kon ook die aanstellerige pose van Karajan waarderen, die helemaal in trance het orkest stond te leiden, met gesloten ogen. Dat suggereerde dat al dat spektakel eigenlijk iets diep innerlijks was.

Die plaat verklaart wel iets van mijn verhouding tot muziek. Ik verken die verhouding in een andere blogserie, Muziek van een afstand. In deze serie hier volg ik een ander spoor. Ik probeer via mijn verhouding tot mijn vader iets te achterhalen van wat eerder theater is, via die intrigerende term personae, die verwijst naar 1) persoonlijkheid, 2) toneelmasker en 3) Phersu, de Etruskische halfgod die optrad bij lijkenspelen, voorstellingen bij uitvaarten.

De voorbije weken luisterde ik shows van Toon Hermans, inclusief de show die we vroeger op plaat hadden. Je zou hem zeker kunnen zien als een persona in alle drie genoemde betekenissen. 1) Al in de jaren zestig hoefde hij maar te verschijnen of de mensen waren in zijn greep; 2) hij werkte graag met typetjes; 3) het Phersu-aspect is minder evident. Maar Toon vertelt in een van zijn shows hoe hij ooit begon met zijn clownerie. Zijn vader was overleden toen hij acht was, zijn moeder zat te huilen en Toon wilde haar troosten door haar aan het lachen te maken.

Niet dat mijn vader zo'n clown was, hij was minder grappig dan zijn broer Frans en gaf minder om grappen dan zijn andere broer Math. Maar hij had wel heel duidelijk een theatrale kant. Als hij ergens was, dan was hij duidelijk aanwezig. Bij oude mensen worden karaktertrekken vaak scherper. Mijn vader stond in twee standen. Als hij de kans kreeg praatte hij veel, stond hij graag in het centrum van de aandacht. Als dat niet lukte, zakte hij achteruit en nam hij ook niet meer deel aan het gesprek.

Als filosoof zou ik me nu kunnen afvragen of in presentie, in de ervaring van wat wij presentie of présence noemen, niet altijd iets zit van optreden, theater. Bij theater hoort ook dat je opduikt, ineens daar bent. Je weet precies waar en wanneer, het gordijn gaat opzij, maar toch voelt het als een verrassing, een verwachte verrassing, dat de acteur er is. Maar hier probeer ik geen filosofie te doen, in het middelpunt staat hier mijn vader, en hij was geen filosoof. Hij trad op, hij was duidelijk aanwezig.

De uitvaart moeten we hier in bredere zin opvatten. Het gaat om de troost die we zo graag willen brengen, en dat kan vaak al veel eerder. Mijn vader ging graag op bezoek bij mensen die het moeilijk hadden, om hen te helpen bij het invullen van belastingpapieren, of bij de depressieve zorgbehoeftige weduwe van zijn vriend Wiel. Mijn vader leek zich bij dat soort dingen nooit op te offeren. Het hoorde bij hem, hij vond het vanzelfsprekend. Zijn schoonfamilie was volledig gepolariseerd, maar mijn vader ging probleemloos bij beide partijen op bezoek, en beide partijen waren bij wijze van uitzondering ook present bij zijn uitvaart, al zaten ze aan verschillende kanten van de ruimte.

De kern zit dus in het samengaan van theatraal optreden en troost. Dat theatrale heb ik deels van mijn vader geërfd, het komt soms naar boven, maar heeft voor mij ook het aura van iets uiterlijks en narcistisch. Ik ben al vroeg de cultuur gaan beleven als spiritueel avontuur waarbij uiterlijk vertoon gewantrouwd moest worden. Met mijn vriend Willy ging ik naar een film van Visconti, L'innocente, waarvan we maar weinig begrepen, maar het was tenminste iets serieus en moeilijks.

Ik begrijp nu ook beter waarom mijn vertrouwen in de serieuze, moeilijke cultuur steeds iets uiterlijks bleef behouden. Ik zag de waarde niet van het theatrale, uiterlijke, terwijl ik er toch ook een beetje talent voor heb (vooral voor de klas). Pas nu begin ik over de afstand te beschikken waarmee ik anders kan kijken naar mijn vader, naar Toon Hermans en naar theater.

Misschien was Rachmaninov voor mij achteraf gezien de vroege aankondiging van deze omslag. Ik was 25 toen ik in Heerlen een goedkope plaat kocht met het beroemde Tweede Pianoconcert. Ik vond het kitsch, echte sentimentele overdrijving. Thuis in Utrecht had ik op mijn klerenkast een hele verzameling heiligenbeeldjes, liefst met electrische flitslampjes. Zo wilde ik mezelf bewijzen dat ik al over die ironische distantie beschikte waarmee ik kon oordelen over de dingen. Nu, vele jaren later, kan ik eindelijk toegeven dat ik nooit over die distantie zal beschikken, dat uiterlijk vertoon zit te diep in mijn innerlijk. Ik luister graag naar Rachmaninov.

hifi karajan. berliner philharmoniker. 2lp. deu - Compra venta en  todocoleccion

zaterdag 28 december 2024

Onze configuratie

Eerst weer een herinnering. Ik huurde een autootje om met mijn vader een stukje te rijden, vlak nadat ik op late leeftijd mijn rijbewijs had gehaald. Het bangst was ik nog op een hellinkje, maar ook bij het invoegen op de snelweg (geen zicht in de spiegel) of bij een rotonde. Kijk ik nu terug, dan heb ik bij die rotondes echt - ik zweer het je - bijna nooit een fietser over het hoofd gezien. Behalve dus als mijn vader naast me zat. Ik heb dat drie keer meegemaakt. De fietser fietste rustig door, of hij balde zijn vuisten, gelukkig liep het goed af.

Je kunt het ook positief duiden. Dankzij mijn vader heb ik me kunnen oefenen in de bestaanswijze dat je ergens geen talent voor hebt, maar het toch moet doen. Je voelt je onzeker, en hoopt op een goede afloop. Die krijg je, wonderlijk genoeg, maar eerder ondanks dan dankzij jezelf. Je kunt ook zeggen: dankzij mijn vader heb ik me kunnen oefenen in calvinisme. Geen recht op zekerheid.

Momenteel zit ik nogal met het probleem van het in de wereld zijn. Dat kun je nalezen in mijn filosofische blogs (hier de link naar mijn meest recente filosofische blog). De filosofen Arendt en Patočka proberen ons in de wereld te krijgen, met liefde nog wel, en mijn held Agamben maakt het nog bonter, hij ziet de wereld zowat als God zelf, of als iets in God. Dat klinkt wel erg positief. Ik ben nu eerlijk gezegd op zoek naar denkers die ook terugschrikken voor het bestaan. Tjeeminee, wat hangt daar allemaal aan vast. Oké, jij bent die vader/ leraar/ chauffeur/ kok. En dan kom je met zoiets. Wat vind je er zelf van, Anton?

Het klinkt dramatischer dan het is. Zo bedoel ik het nou ook weer niet. Waar het om gaat is dat ik bij mijn (overleden) vader houvast zoek voor de ervaring dat we hier ook maar zijn, met onze 'configuratie'. We zitten onszelf en anderen zo vaak in de weg, hebben altijd voornemens om het beter aan te pakken, maar er zijn altijd momenten dat je niet alert genoeg bent, of het verkeerd hebt ingeschat. Als ik me niet vergis was de kinderwens bij mijn vader kleiner dan bij mijn moeder. Daar ligt mijn kans op herkenning. We zijn hier ook maar.

Vannacht hoorde ik een psychiater op de radio (Jim van Os) met die term configuratie. Hij wilde af van de etiketten zoals schizofreen. Iedereen heeft een individuele configuratie, met bepaalde gevoeligheden. Als je het moeilijk hebt, kun je met mensen praten die soortgelijke ervaringen hebben als jij. Het belangrijkste wat daar gebeurt is dat je niet apart gezet wordt, en iets gemeenschappelijk hebt met iedereen, telkens weer anders en in een andere mate, maar toch.

Ik ga er nu even niet kritisch naar kijken, of er flink over nadenken. Ik zeg even gewoon: ik ben een configuratie. Ik mis die fietser op de rotonde maar het loopt goed af. Mijn vader probeerde die schommel te fiksen, stalen buizen, lassen, wat hij niet kon. Buis op zijn hoofd, litteken. Eerst dacht ik vooral in termen van toewijding en goede bedoelingen. Nu kom ik op het idee dat je ergens terecht komt, en er het beste van probeert te maken. Hij moet dat op zijn manier hebben doorgehad.

 Kale man met litteken op zijn hoofd na oncologie operatie huilen en zijn  gezicht verbergen met zijn handen. | Premium Foto


dinsdag 24 december 2024

Kerstdesert

Kerst biedt beelden. Kun je van beelden houden? We vinden ze misleidend als de beelden in de plaats komen van echte mensen. Keer het eens om. Kun je van mensen houden zonder beelden? Laten we zeggen dat liefde altijd loopt via beelden.

Zo kan ik nog steeds van mijn vader houden, al is hij dood. Als mijn dochter Noraly binnenkomt met een boompje en dat versiert, denk ik aan mijn vader die dat vroeger deed, met de grot erbij. Het beeld heeft mijn vader overleefd, het is in de zin van de oude Romeinen een imago, het beeld dat ze bij de uitvaart meedroegen. Of het is een persona in de zin van het toneelmasker van de Grieken, of zelfs het optreden van de Etruskische halfgod Phersu. Het gestorven zijn gaat vergezeld van beelden en maakt de geliefde persoon extra (half-)levend.

Er sprak zojuist een familietherapeute op de radio (Else-Marie van den Eerenbeemt). Ze heeft al zo vaak gemerkt dat mensen graag bij hun familie willen zijn, ze vinden het vreselijk om pijn te voelen snijden, maar nog erger om de pijn te voelen van het afgesneden zijn. Daarmee verwijst ze naar dichteres Vasalis, die als psychiater vast ook wel had nagedacht over wat je kunt doen om die pijn te verzachten. De therapeute wijst op de betekenis van het dessert (ik denk nu meteen ook aan desert en de woestijnen van Vasalis). Het dessert markeert het einde van de kerstmaaltijd, het moment dat we extra zwaar willen maken, maar dat vooral ook vraagt om luchtigheid. Je moet je jas aantrekken, met sterretjes gaan lopen in de tuin ofzo.

We hebben nu eenmaal even die ontspanning nodig om de zwaarte van familie te kunnen verdragen. Ooit was Kerstmis daarvoor misschien uitgevonden. Er was een Vader, er was een gemartelde Zoon. Die moest ooit een baby zijn geweest. Hij had een moeder en, welja, ook een sterfelijke vader die ook goed was in dingen in elkaar zetten. Wat telt is een beeld dat ontspanning biedt, de geschiedenis raast voort maar hier is toch even dat lichtpuntje.

Al gauw brengt dat lichtpuntje zijn eigen zwaarte met zich mee. We zijn gezellig bij elkaar, maar denken ook daardoor aan de mensen van wie we afgesneden zijn, de doden, de exen, de broers. We willen het graag gezellig houden, maar dat kost weer zoveel energie dat we uit de band springen, foute dingen zeggen, en die foute dingen weer verzwijgen. De os en de ezel hangen om onze schouders.

De therapeute vertelt dat ze brieven krijgt, bijvoorbeeld van vader en moeder die met Kerst een reis naar Wenen boeken, zodat ze niet hoeven af te wachten of hun kinderen wel zouden komen. Zo zijn - denk ik dan maar - hun kinderen toch weer bij hen, in hun zware lichte hart daar in Wenen.

Fotostory: Wien in Weihnachtsstimmung


zaterdag 7 december 2024

Het theeglas van Ivan Karamazov

Reflectie kan je gek maken, al die stemmen in je hoofd, en dan helpt het om die in een blog als deze een beetje tot rust te brengen. Er is nog een voordeel. In mijn vorige blog gebruikte ik de literatuur als spiegel voor de gespannen verhouding met mijn broers, De gebroeders Karamazov van Dostojevski. Dat maakt je attent voor hulpbronnen. Ineens duikt er een artikel op over Ivan Karamazov, de broer met wie ik me identificeerde, de intellectuele broer. Het artikel stond in een tijdschrift waarin ook een tekst van mezelf stond, en gaat over het vreemde in onszelf: Henk den Uijl en Jozef Waanders, 'De ontdekking van het vreemde in onszelf: vloek of zegen? - Dostojevski's Ivan Karamazov door de lens van Gauchet, Arendt en Ricoeur', Filosofie-tijdschrift jg 34 nr 6, p.48-53.

Het lag misschien meer voor de hand om mijn overdenking te plaatsen in mijn filosofische blogserie, Ideeën. Maar dat ik het hier plaats heeft ook weer voordelen. Ik kan mezelf nu uitdagen om aan te knopen bij de andere stijl van deze serie, die duidelijk meer theatraal is en waarin ik mezelf in verhouding tot mijn vader opvoer. Of beter nog, ik kan de intellectuele kant van mezelf confronteren met mijn existentiële zelf.

Er springt meteen een kenmerk van mezelf in het oog als ik me vergelijk met Ivan, en dat heb ik te danken aan mijn broer, de Dmitri-broer uit vorige blog. Toen ik mijn blogserie over Agamben en de muzen afsloot met de bekentenis van mijn isolement (zie deze blog), verblijvend in de kelder van ons huis aan de Röntgenstraat in Heerlen, vond hij dat arrogant. Ja, de kelder, maar zei ik in mijn vorige blog niet dat ik Dostojevski vooral had van de universiteit, de hoge torens met name in Utrecht en Nijmegen? Verheven, in isolement, peinzend over de ethiek en esthetica van de dialogische romans van Dostojevski. Ivan, ja, de arrogantie straalt ervan af. Zijn academische ongebondenheid is zijn masker, zijn persona, en daarachter gaat minachting schuil, voor de gewone mensen, zijn familie, zijn vader.

In de roman is het Dmitri die gevangen zit, beschuldigd van de moord op de vader. Hij riep wel eens dingen, en dat kun je als aanwijzing zien van zijn snode plannen. Uiteindelijk is het de halfbroer en huisbediende Smerdjakov die de moord heeft gepleegd. Maar wel op aanwijzing van niet Dmitri maar Ivan, zoals hij voor zijn zelfmoord aan hem bekent:

"(...) dat was mijn droom, meneer, en eigenlijk allemaal omdat 'alles geoorloofd' is. Dat heeft u mij werkelijk geleerd, meneer, want toen heeft u me van alles verteld: want als er geen oneindige God is, dan bestaat de deugd ook niet, dan is die geheel en al overbodig. Dat zei u toen echt. Zo heb ik dat toen begrepen. (...) En nu bent u ineens in alle staten, u, meneer!"(gecit. in art. p.50)

Den Uijl en Waanders vervolgen hun artikel met citaten waar Ivan in koortsfantasie een gesprek met de duivel heeft. Ik leg onmiddellijk een verband met de etymologie waarin ik geloof in onderhavige blogserie, de afleiding van de term persona niet van masker, maar van de Etruskische halfgod Phersu (die ik in vorige blog ook opvoerde, zie ook deze blog). Phersu komt tevoorschijn bij uitvaarten, hij is jager, pendelt tussen onze wereld en de onderwereld, maar dus ook acteur. We kunnen op hem allerlei zaken projecteren, zoals onze slechtste en domste gedachten. Dat is was Ivan ook doet met zijn duivel, hij wordt zo boos dat hij een theeglas naar hem gooit. De duivel lacht erom, als hij slechts een schim in een koortsfantasie zou zijn, zou het onzinnig zijn om een theeglas naar hem te gooien. Het theeglas is het bewijs dat Ivan gelooft in de duivel, en dus misschien ook in het geweten, en in God. Zijn dictum dat alles geoorloofd is, is dus niet erg consequent.

We zijn in het artikel van Den Uijl en Waanders getuige van de omslag van vrijheid naar verantwoordelijkheid. Typisch een probleem van de geseculariseerde christenen. En daar was mijn vader er ook een van. Hij las Dostojevski, leende in de bibliotheek van Hoensbroek boeken van hem uit. Dostojevski was - hoewel hij antikatholiek was - godfather van het katholieke existentialisme. Trait-d'union was zijn jongere vriend Vladimir Solovjov, de mysticus en filosoof die enorm sympathiseerde met het katholicisme en een hereniging ermee voorstond (met het jodendom als derde partner).

Existentieel, jazeker, want mijn vader zei altijd dat we zelf mochten weten hoe laat we thuiskwamen na het uitgaan. Maar je kon ook aan hem zien dat hij teleurgesteld was als we te laat waren thuisgekomen. Dat heeft flinke impact gehad op de vorming van ons geweten, ons schuldgevoel. Je moest vanuit jezelf de goede dingen doen. Dat is dus zeker ook de keerzijde van die academische vrijheid die ik beleefde in de torens van Utrecht en Nijmegen. Geen vrijheid zonder verantwoordelijkheid. Verantwoordelijkheid werd het kernbegrip van de geseculariseerde christenen.

Ik ga hier verder niet het artikel van Den Uijl en Waanders bespreken en beoordelen. Het ging me om Ivan Karamazov, om 'mij'. Preciezer gezegd, om mijn arrogantie. Ik heb de roman niet in huis maar meen dat Ivan een artikel had gepubliceerd over zijn bewering, 'als God niet bestaat is alles geoorloofd'. De dynamiek van de moderne ethiek is dat we via de demonen de vrijheid in onszelf ontdekken, en via diezelfde demonen ons geweten. We hebben de stemmen in ons hoofd nodig om onze vrijheid op een goede manier te gebruiken.

In dit geval zijn die stemmen in mijn hoofd zeker ook de stemmen van mijn broers. Zij wijzen me erop dat mijn lange verhalen over ethiek over hun hoofden heengaan, ze zijn mijn masker - zo leg ik het maar uit - waarmee ik voortdurend mijn vrijheid bevestig, vrijheid in de zin van willekeur, niet nadenkend over de consequenties van mijn gedrag. Want dat is natuurlijk de Ivan-kant in de roman, voor alles staat de consequentie: als God niet bestaat, dan...  Preciezer gezegd: de demon keert de consequentie tegen zichzelf, hij vertelt ons dat er moorden worden gepleegd in naam van onze vrije, onschuldige gedachten, en dat we deze consequentie onder ogen moeten zien, en ons derhalve moeten openstellen voor een shift, een schijnbaar inconsequente gedragswijziging.

Er is zeker ook een verwisseling van maskers gaande. Als de demon of stem in mijn hoofd mijn gesprekspartner wordt, hoor ik een verdraaide imitatie van mezelf, of van mijn vader, iemand die vooral argumenteert. Dat geeft me het gevoel dat ik verwikkeld ben in een gesprek, een dialoog, waarin de rollen verdeeld zijn. Maar in werkelijkheid projecteer ik mijn eigen stijl op de ander, denkend dat hij erin meegaat. En die zegt ineens: 'Je bent me kwijt, broer', en dan schrik ik. Snelle overnames, iets te snel zeggen dat je dezelfde ervaring hebt, ook zo'n ding van mij.

In een reactie op mijn vorige blog schreef vriend Martien dat we over Dostojevski en de Russen nog beter moeten nadenken: 'Dostojevski was door en door dialogisch, maar niet democratisch.' Zijn dialogiciteit heeft volgens filosoof Bachtin te maken met de aandacht voor overnames en halfstemmen, de glijdende overgangen tussen de ideeën van de personages. Met Martien deel ik mijn liefde voor Bachtin, zijn moeilijke idee van een ethiek naar het voorbeeld van de meerstemmige roman. Niet democratisch, daarmee bedoelt Martien zeker ook dat niet-formele, de identiteiten en rolverdelingen liggen allerminst vast. Misschien zou je ook kunnen denken dat dat niet-formele ook altijd een rol speelt in democratieën, bijvoorbeeld doordat we zaken moeten doen met de ander en onze beloftes half moeten verraden, en doordat we ons een beetje tegen asielzoekers keren om de verloren stemmen weer terug te winnen, om die asielzoekers beter te kunnen helpen. Demonische cirkel.

Sociale media zijn bij uitstek de ruimte waar we zomaar wat kunnen zeggen, waar God niet bestaat, waar vader dood is of doodgewenst wordt. We willen vanuit die onderwereld maar wat graag de volheid van het aardse leven herstellen, met ons verlangen naar geluk, orde, liefde... Zo graag dat we de termen geweten en verantwoordelijkheid steeds weer invoeren. We zeggen de ander niet wat hij behoort te doen, en hopen dat de ander zich dat vanuit zichzelf realiseert. We leveren hem over aan zichzelf, we leveren onszelf uit aan onszelf met onze demonen. En zo gaan we ons thuis voelen in deze wereld, we raken gehecht aan al die stemmen, en het geeft misschien minder dat we niet begrijpen wat ze zeggen, van belang is dat ze klinken. Bachtin: 'Ik hoor stemmen...'

≥ ​Spoetnik Russisch Theeglas houders met Glas Compleet set — Curiosa en  Brocante — Marktplaats

donderdag 21 november 2024

Broederliefde

Een vader heb je om tegenaan te trappen. Dat deed Oedipous, dat deden wij ook graag. Misschien hadden we toen al door dat die vader blijkbaar zo sterk was dat hij zelfs kon sterven. We hadden hem vermoord, maar hij had het verdiend. En bovendien waren we niet schuldig, we wisten niet dat het onze vader was, het had niets met ons te maken. En bovendien is hij wel dood, maar ontstaat er leven, een wonderlijk nieuw leven.

Zoiets moet ook door het hoofd van Dostojevski hebben gespeeld toen hij zijn Gebroeders Karamazov schreef. Ik heb me nog niet serieus verdiept in de biografische achtergrond van deze roman. Wel had ik ooit bedacht dat het een leuke naam was voor de appgroep met mijn twee broers. We trapten graag aan tegen onze vader. Er was een soort natuurlijke taakverdeling. Ik kende Dostojevski vooral van de universiteit, dus was ik Ivan. Mijn broer was nogal impulsief, dus Dmitri. Dan moest onze jongste broer wel Aljosja zijn, de zachtmoedige. Ergens, ergens moest misschien nog een bastaardzoon rondlopen, die in de roman uiteindelijk de vadermoord heeft gepleegd.

Laat ik het moment pakken om deze ingeving te verbinden met de ambivalentie der Russen. Ze zijn absoluut wreed en vol ressentiment, vol afgunst ook en paranoïde angstgevoelens ten opzichte van het Westen. We zullen er de komende decennia onze handen aan vol hebben. Maar ik moet ook denken aan Dmitri. Hij komt het meest overeen met ons beeld van de Russen, impulsief, oprecht, direct. En hij neemt het op voor het kind dat onschuldig moest lijden. Dan geef ik mijn entreekaartje terug, zegt hij in discussie met zijn broer.

Deze dagen gaan mijn broers weer als dollen tekeer in mijn hoofd. Onze vader is dood, alweer jaren, al is hij niet vermoord. Wel hadden we evenals de Karamazovs redenen om hem te haten. Hij lag aan de wortel van onze oorlog tegen onszelf, ons schuldgevoel, het gevoel dat we altijd tekortschoten. Hij was altijd - dit dan weer in tegenstelling tot vader Karamazov - onberispelijk, innemend, en als hij al het schandaal zocht was het een klein sympathiek schandaal. Zo liep hij in Berlijn, Pergamonmuseum, langs een Myceense grafkist en wierp hij zijn jas eroverheen, het was er gewoon te warm. De bewakers snelden toe, in paniek. Ik zag het niet aankomen, was grieperig en gewoon niet alert genoeg.

We zijn van onze vader gaan houden en hem bij zijn alzheimer een beetje gaan vertroetelen. Het meest nog mijn Dmitri-broer. Hij bleef het langst bij hem bij zijn aflossing van de wacht. De verwijten waren even vergeten, misschien wel juist dankzij zijn impulsieve karakter.

Hoe dit in deze serie past, die steeds meer in het teken van de Etruskische halfgod Phersu is komen te staan: mijn vader keert steeds terug in mijn broers en mij, hij speelt onvermoede acts. Vooral als er weer eens een uitvaart is, zoals afgelopen zaterdag van onze geliefde nicht Wilma. Een van mijn broers dook op en we speelden een soort toneelspel, ergens tussen wereld en onderwereld. Je probeert elkaar te bestrijden of te omhelzen, maar wat je bestrijdt of omhelst is een schim. We zijn al weg, in wezen. De dode die wordt betreurd zijn wij nog net niet zelf, maar in essentie al wel.

We proberen een scherpe speech voor elkaar af te steken, in onze apps of wandelingen. En daar vallen we elkaar weer op aan: je dramatiseert, jongen! Ik heb je aangevallen maar je maakt het te groot! Of in één adem: je relativeert alles, je neemt me niet serieus jongen! Je bent alleen maar met jezelf bezig en drukt ons weg! Onderschat ons niet, onze schaduwen reiken nog over je resterende jaren! Wat blijft is de irritatie van halfgod Phersu, optredend bij het dodenmaal.

De stem in mijn hoofd is dezer dagen de cabaretier die door het land trekt en de voorstelling veertig keer opvoert, ik word half onze vader, of die Phersu in mij. Het gaat elke keer hetzelfde, maar steeds ook met het gevoel dat het nu eens een heel verrassende wending kan nemen. Lange tijd dacht ik dat mijn Phersu me belaagde, ik zou geleidelijk uitgeput raken. Maar tegelijk voel ik me opleven. De teksten hoor ik weer echoën, de maskers zie ik wisselen.

We spreken van respect, de neutrale liefde die je met name na het gevecht hebt, of bij het afscheid. Je ligt gevloerd op de grond, maar uit respect hijst je broer je overeind. Laten we weer eens afspreken, ja? Of hij ligt gevloerd, ik lig gevloerd zegt hij, ik geef me over.

The Brothers Karamazov” by Fyodor Dostoevsky: A Masterpiece of Russian  Literature | by Quick & Easy Book Reviews | Medium