Boven staan twee tassen die mijn vader me gaf. Er zitten denk ik hoofdzakelijk knipsels in, hoofdzakelijk uit de kranten van begin jaren zestig, het Concilie. Mijn vader is nu vijf jaar dood, maar ik heb nog nauwelijks in de tassen gekeken.
Heel anders is het in de film Fuori. De volgeschreven bladen van schrijfster Goliarda liggen in een kist. Vriendin Roberta blijft een keer bij haar slapen en kijkt stiekem in de kist. Later in de film geeft ze Goliarda een koffer met allemaal brieven en documenten. Goliarda maakt de koffer open en begint meteen te lezen. Ze gaat er zo in op dat ze niet merkt dat Roberta is weggeslopen.
Ik vraag me af of je die tassen, kist of koffer niet kunt zien als een zwarte doos, het beeld van filosoof Michel Serres voor het collectief dat uit elkaar gaat en elkaar weer tegenkomt, los vast los vast, verwisseling van posities. Als je er zo naar kijkt loop ik weer binnen bij de film. Goliarda blijft vijf dagen in de gevangenis, waar ze in contact komt met het criminele milieu, waartoe ook Roberta behoort. Die gevangenis is ook een zwarte doos. De vrouwen leven onder spanning, maar ineens is er actie, steunen ze een vrouw die een maandje weg wil. Ze verwonden haar, de pleuris breekt uit en de vrouw mag een maandje naar het ziekenhuis.
Het beeld van die zwarte doos blijft geheimzinnig. Is het een gebouw, of eerder een metafoor? Dan kun je, zoals in de film, buiten (fuori) zijn terwijl je er toch in bent. En op verrassende momenten kun je er ineens in terechtkomen. Zo staan ze later in de juwelierszaak van die vrouw die een maandje naar het ziekenhuis kon. Goliarda duwt tegen een spiegel, die een deur blijkt te zijn en komt terecht in een badkamer. Daar staan de vrouwen even later gezellig te douchen.
Heel simpel gezegd, de ervaring dat je weg kunt geeft je een gevoel van vrijheid. Dat moet mijn vader ook hebben gevoeld toen hij in de krant las over dat Concilie. Aan de ene kant geeft het je hoop, want ineens zou zomaar alles kunnen, priesterschap voor vrouwen, opheffing van het celibaat. Aan de andere kant wil je lezen, schrijven, bewaren, opbergen, doorgeven aan je zoon. Het is toch een soort geheim dat je gesloten wil houden, een zwarte doos dus.
Misschien ook daarom gaan we naar een bioscoop. We weten niet of de film wat is, we lopen naar binnen en lopen dan ineens die zwarte doos in. Nu zijn we zelf dat geheim, opgeslokt door wat er gebeurt en wat er niet gebeurt op het scherm.
Ik meen nu ook ietsje beter te begrijpen waarom dit zelfs kan worden opgevat als het geheim van de politiek, of zoals Agamben zegt, het lichaam van de politiek. Je zit daar, bent alleen nog maar lichaam, je geest is tijdelijk overgenomen. Er gebeurt niet echt iets. De film had ook een andere kunnen zijn. Toch is er die spanning die heen en weer schiet, van het scherm naar de acteurs en van de acteurs naar jou. Een vrouw in de gevangenis zegt tegen Goliarda: 'Geef toe dat je een politieke gevangene bent, ik weet dat, want je drinkt geen wijn!' Later liggen ze te worstelen op het binnenplein, en weer later worden ze bevriend, enigszins.
Er bestaat een mythe van de schrijver, dat die zo schrijft dat je nieuwsgierig wordt. Ze legt alles uit, wat politiek is en wat niet. Fuori zou je bij die schrijver moeten brengen, in dit geval Goliarda Sapienza, die bekend is om haar boek L'arte della gioia (de kunst van het genot). Zo worden we binnengeleid in haar idee dat je beter contact kunt hebben met het rauwe volk van de gevangenis dan met de intellectuele elite. Maar je kunt er dus ook anders naar kijken. De film is ook maar weer een film, en niemand gaat dat boek lezen. We blijven gezellig eten en genieten nog even wat na. Wat een maffe vrouwen, met al die whiskys op die terrassen in Rome en die dolle rit in die gestolen auto. En eigenlijk is die schrijfster een beetje saai.
Zo dus leef ik voorlopig zonder in die tassen van mijn vader te kijken. En schrijf ik maar weer mijn blog.




