zondag 4 juni 2017

De personae van The Longest Day

Al vijfentwintig jaar wachtte de film The longest day (1962) op het weerzien met mijn vader. Ik had de eer vanochtend die film met hem te kijken, op een heilig tijdstip. Het was zondagochtend, dus de film nam de plaats in van de H.Mis, en het was 4 juni, twee dagen voor de dag waarop de geallieerden de Normandische stranden bestormden.

Mijn vader uitte luid commentaar en verheugde zich op de scène waarin Rommel doorkrijgt dat de geallieerden precies de dag hebben gekozen van de verjaardag van zijn vrouw. Hij geeft haar trots de schoenen die hij voor haar speciaal in Parijs heeft laten anfertigen. Dan wordt hij gebeld over de invasie. 'Wie dumm von mir', zegt Rommel in de hoorn en ernaast, 'wie dumm.'

Ik volg het tweede scherm en zie dat de film het boek van Cornelis Ryan volgt die zich enorm heeft verdiept in de verslagen en dagboeken. Maar de vijf regisseurs hebben nog meer oog voor de sterren. Bijna alle grote Amerikanen zijn erbij, John Wayne, Robert Mitchum, Henry Ford, noem maar op. We zien ook Sean Connery voorbijkomen. De film wil geen epos zijn maar focussen op de wederwaardigheden van de gewone soldaten. En dan zien we toch vooral de Amerikanen, de mannen met een gezicht. En omdat de gewone Amerikanen de afstand voelbaar maken met de oorlogshelden treden er komische effecten op, die de regisseurs af en toe flink aandikken.

Het is gezien deze filosofie toch weer merkwaardig dat al die gewone Amerikanen gespeeld worden door de grote acteurs. Zo lijkt het of de soldaten zich op Utah Beach hebben opgeofferd voor de filmgoden. Het summum, de Zeus van deze goden, is toch wel John Wayne. Hij eiste het tienvoudige honorarium op van de andere acteurs. Hij werd door hen met de nek aangekeken omdat hij ten tijde van de oorlog vooral met film was beziggeweest, terwijl de meeste anderen hadden meegevochten om de Duitsers te verdrijven.

Hier blijkt dus de kracht van Homerus die de goden in zijn Ilias een hoofdrol toebedeelt en de Griekse soldaten de hoge muren van Troje laat beklimmen. Homerus overtreft de film nog doordat hij de vijanden der Grieken, met name Hector, een gezicht geeft. De Duitse soldaten in The longest day blijven zonder gezicht, ze knallen uit bunkers en worden overhoop geschoten. Soms zelfs zijn ze er niet eens. De bunker wordt veroverd en blijkt leeg te zijn. Dan hebben de Amerikaanse jongens voor niks geklommen, zijn ze voor niks gestorven...

Misschien zijn de toeschouwers de echte goden. Hun gelach is zeker homerisch. We weten dat de Amerikanen triomfeerden en dat de Duitsers slecht waren. Daarom mogen we ook zo hard lachen.

Kunnen we deze film beschouwen als een zending uit de onderwereld, een lijkenspel met Phersu, de halfgod die opduikt bij de Etruskische lijkenspelen? Zeker wel met mijn vader. Hij zit daar in zijn appartement, kan niet meer op eigen kracht reizen. Hij wijdt zijn hele verdere leven aan zijn kinderen. Die komen bezorgd opdraven om hem te entertainen, onder meer door de film The longest day aan te zetten.

Mijn vader is Phersu. Hij kan elk moment sterven maar speelt kiekeboe. Wij hebben zijn uitvaart voorbereid, we rouwen om hem en om onszelf. We zijn personen, als we al iets zijn, dankzij hem. We laten ons beschieten door de Amerikanen die mijn vader hebben bevrijd en gevormd. Het zijn kinderen die zichzelf veranderen door op de Normandische rotsen te klimmen en al klimmend te sterven. Steeds opnieuw worden ze geboren als Amerikaanse acteurs, John Wayne, Ronald Reagan, Donald Trump. En wij maar schrikken en ons zorgen maken! En weer lachen!


 Afbeeldingsresultaat voor john wayne longest day

zaterdag 20 mei 2017

Je mag wat ik wil

De redevoeringen van mijn vader lijken te draaien rond oordelen. Praat hij over Jean, dan luidt het refrein dat het 'inne leage' was. Maar dan ineens horen we dat hij huilde en ook niet wist wat hij met zichzelf aan moest. Blijkbaar was Jean toch niet zo leeg dat hij gevoelloos was. Het kan dus goed zijn dat we bij de oordelen te maken hebben met een figuur, een soort kristal dat wel hard is maar van meer kanten kan worden bezien en zicht biedt op diverse kanten, kleuren en lichtbrekingen.

Vroeger dacht ik altijd dat een gesprek in wezen een dialoog was. Je moest niet alleen praten maar ook reageren op de ander, anticiperen op zijn repliek en ruimte laten. Bij mijn vader ligt dat anders. Zelfs als de ander alleen maar instemmend en kort wil reageren, dan verheft hij zijn stem alsof hij ook dat laatste restje ruimte dat de ander heeft nog voor zichzelf opeist. Bezie je deze gewoonte vanuit de moraal, dan zal hij het met je eens zijn dat het belangrijk is om te luisteren en soms realiseert hij zich dat hij iets meer van de pratende kant is en het luisteren aan de ander laat. Maar belangrijker is dat hij het gesprek door zijn eigen praktijk herdefinieert. Met zijn zinnen reageert hij op zijn voorgaande zinnen en bouwt zo zijn verhaal op. Het is een vervolgverhaal waarin de zinnen betrokken zijn op wat eraan voorafgaat.

Zo krijgen we ook zicht op de plechtige en monumentale toonzetting van zijn verhalen zoals over Jean. (Even tussendoor: de lezer zal bemerken dat ik via mijn vader ook verheldering zoek voor mijn eigen blogs; alles wat ik over hem zeg geldt ook voor mij en voor wat u nu leest, zodat het kristal niet alleen doorzichtig maar ook ondoordringbaar hard en onflexibel wordt.) Het monument staat recht overeind. Het is een teken dat verwijst naar gebeurtenissen in het verleden. Niet per se naar die gebeurtenissen zelf maar zoals ze verteld zijn. Ze behoren tot de mythologies zoals Barthes die typeerde in bijvoorbeeld de Tour de France. Verhalen of overtuigingen die gaan over verhalen of overtuigingen met de bedoeling die te bevestigen.

Hoe kunnen we omgaan met dit type gesprek? Ik heb een ontwikkeling doorgemaakt die ooit moet zijn begonnen met het muzikale, wellicht al voor mijn geboorte. Daarna moet er een fase van ontzag zijn geweest die lang heeft geduurd. Niets bijzonders. Bijzonder is misschien wel de kleur van dit ontzag. Het is die kleuring van moraal en religie die werd verzacht door de relativering die kenmerkend is voor onze moderne cultuur. Mijn vader moet die relativering hebben meegekregen via de Amerikanen, de kerkelijke spiritualiteit en de mensen die hem omringden zoals zijn broers. De volgende fase brak aan toen ik mijn narcisme gefrustreerd zag door zijn dominantie in wat we meestal puberteit noemen. Ik voelde me beklemd en zocht een uitweg zoals ik die eerder beschreef in de korte interventie. De kleine ruimte die ik kreeg benutte ik om een korte tegenwerping te plaatsen die met een beetje geluk als breekijzer kon werken. Het grootst denkbare succes was een hevige discussie waarin ik mijn vader tegenwicht bood.

Mijn vader kwam altijd superieur uit die strijd. Hij kon ineens grijnzend aan de relativerende kant gaan hangen waardoor ik me schaamde voor mijn emotionele overdrijvingen en me gefrustreerd voelde over mijn onvermogen hem te overtuigen. Toen al had ik de beperkingen van het dialoogritueel kunnen zien. Dat ik die niet heb gezien heeft zeker te maken met de vorm van mijn verzet in wat we meestal opvatten als identiteit. Ik ging theologie studeren en belandde daarmee midden in een rationaliteit die het dialoogritueel van de buitenkant afdekte en verstevigde. Later ben ik die dialoog gaan zien als personalistische relativering van de rationaliteit, zeg maar met Bachtin.

Hoe is het mogelijk dat het zo lang heeft geduurd voordat ik zag dat onder die dialoog die massieve monoloog schuilging? Dat moet te maken hebben met het krediet dat ik steeds ben blijven geven aan het sacrale. Er zijn zoveel steunpunten van sacralisering in mijn jeugd die doorwerken in mijn brein dat mijn zoektocht naar uitwegen bijna automatisch belandde in plaatsen van sacraliteit. Sport en natuur om maar een paar te noemen. Maar ook de herinnering. De herinnering heeft in mijn belevingswereld vooral de functie om toevallige gebeurtenissen aan te wijzen. Dit gebaar is meestal plechtig maar kan ook de vorm aannemen van anekdotes die we elkaar keer op keer lachend vertellen, zoals over de familie Hazen, de familie die we op sleeptouw namen op vakanties en die zich diep bewust moeten zijn geweest van onze superioriteit, een besef waaraan wij blijkbaar behoefte hadden.

Voor mezelf scheelt het al wanneer ik me niet gedwongen voel om me tot die sacralisering te verhouden en mezelf erboven te verheffen. Dat zou betekenen dat ik van mijn leven een Bildungsproject maak, wat onmogelijk is omdat het Bild dat ik daarmee nastreef automatisch zelf zo'n sacraal monument wordt en daaraan wilde ik nu juist ontkomen. Ik doe dus maar wat, schets hier en daar een lijntje waarlangs ik kan bewegen, mezelf in beweging kan houden.

In deze blogserie kan ik proberen dergelijke vluchtlijnen te onderscheiden in het monologische gebaar van mijn vader. Het heeft sterk rituele trekken. Een van zijn rituelen is het uiten van zijn eigen wil. Hij laat jou het restaurant kiezen om je het idee te geven dat het belangrijk is dat niet gebeurt wat hij wil maar wat jij wil. Overigens had ik daarvoor al aangeboden voor hem te koken, iets wat hij in mijn belang al had afgeslagen, waardoor je er niet achter komt of hij dat eigenlijk wel prettig had gevonden. En zo belanden we dan in die pizzeria. Gaandeweg laat mijn vader blijken dat het hem daar niet bevalt. De porties zijn te groot, het is er te donker. Maar hij houdt zich groot en zegt niet zelf, maar laat mij zeggen dat we de volgende keer echt bij Goya gaan eten, het restaurant dat voor hem de Heilige Plaats is geworden. Hij geeft me daarbij het gevoel dat ik dat wil, eigenlijk had ik de hele tijd al naar Goya gewild maar ik had het niet door. Dankzij de stille wenken van mijn vader kom ik erachter en belanden we op een plaats waar ik de meeste kans loop van die irritante stille wenken voor even verlost te zijn.

Het is een typisch scenario dat past bij de tragedie en bij Freud en Lacan. Juist doordat ik mijn best doe mezelf te worden word ik langzaam de ander, de ander die mij mijn identiteit geeft. Bij Goya moet ik uiteraard denken aan zijn schilderij van Saturnus die zijn eigen kinderen opeet. Ik heb geen idee of Goya zich heeft gerealiseerd dat Saturnus daarmee juist zijn kinderen gelukkig wilde maken. Door zijn kinderen op te eten ontneemt hij hun hun toekomst en blijven ze aangewezen op het verleden, de Gouden Tijd waarin alles nog goed was. Daarom heet ook die mediawinkel Saturn, so muss Technik sein! Bij mijn vader komt daar nog bij dat hij zelf betaalt voor de maaltijd.

Maar is dat niet ook het geval bij die mythe, waarin de kleine Jupiter wordt weggehaald door zijn moeder en wordt vervangen door een steen die ze haar man te eten geeft? Die steen ligt zwaar op zijn maag en de toekomst, die komt er, al zal het zeker geen Gouden Tijd zijn. Zo kun je lijntjes blijven uittekenen in de mythologies die wegleiden uit de monumentalisering en die je kunt opvatten als profanatie, hoezeer je ook binnen de godenstrijd blijft.

Afbeeldingsresultaat voor goya saturnus

woensdag 26 april 2017

Grijns

Is een masker nog een masker wanneer het meebeweegt? Het zal dan hoogstens meebewegen als een blubberende materie. De omgekeerde vraag is interessanter. Is een persoon nog een persoon wanneer zijn gezicht bevriest tot een bepaalde uitdrukking, een grijns?

Als kinderen staken we graag het hoofd half uit de auto om naar de spiegel te kunnen kijken en trokken gekke bekken. 'Pas op', waarschuwde mijn moeder ons, 'zometeen blijf je erin steken en krijg je je gewone gezicht niet meer terug.' Kenmerkend voor mijn moeder was de schaamte, de angst dat er iets gebeurde waarvoor zij zich moest schamen. Bij haarzelf hoorden ook haar kinderen en haar echtgenoot. Mijn vader moest zich altijd omdraaien voordat hij de deur uitging, zodat zij kon zien of er iets mis was met zijn kleren of anderszins.

Mijn vader kent geen schaamte. Hij gaat op in alles wat volgens hem indruk maakt op anderen, maar voorzover ik kan zien is hij nooit bang die indrukwekkende kanten te verliezen. Hij heeft een bewonderenswaardig vermogen om zijn zwakkere kanten voor zichzelf te verbergen, en denkt daarmee ook dat ze voor anderen verborgen zijn.

Dat verklaart wellicht de reflexen waarover hij ook nu nog beschikt, nu zijn vermogens teruglopen en hij moet terugvallen op wat wel nog functioneert. Functioneren is een sterk woord, te sterk. Want wat er functioneert, zijn dus nu juist de kanten die we niet gauw functioneel zullen noemen, of die minstens paradoxaal zijn.

Gisteren kwam er een zorgmevrouw op bezoek, de zoveelste. Ze kwam kennismaken en vond het geen probleem dat mijn vader haar vragen soms niet beantwoordde, maar elke gelegenheid aangreep om oneindige zijwegen in te slaan. Niet der kotste weag dus, in dit geval. Vroeg de mevrouw of hij zelf kon koken, dan begon mijn vader over de kookvermogens van zijn dochter en over de indrukwekkende studies van zijn andere kinderen.

Vanuit mijn positie had ik zicht op zijn permanente grijns. Als hij zich verstrikt in zijn omwegen en zijwegen van die omwegen, behoudt hij zijn grijns. Het is een freeze die hem stabiliteit verschaft bij alle bewegingen en quasi-bewegingen. De grijns heeft als zodanig geen betekenis, hij versterkt het non-communicatieve karakter van zijn verbale uithalen.

Toch zouden we er een restant van betekenis in kunnen zien, alleen al omdat hij diezelfde grijns vroeger ook had, toen alles wel nog functioneerde. De grijns is ongetwijfeld bedoeld als wat Cicero een captatio benevolentiae zou noemen, een verovering van de welwillendheid van de ander. Het wordt voor de gesprekspartner moeilijker om zijn antihouding vol te houden, de grijnzer is van goede wil en dan zullen zijn argumenten toch ook wel kloppen.

De meeste mensen vroeger waren gevoelig voor zijn betogen en vast ook wel voor de grijns. Ze waren onder de indruk van de vriendelijkheid en geleerdheid van deze selfmade man. Hijzelf moet zich gevoeld hebben als een soort Cruijff, bewust van zijn eigen kracht en geen moment bang dat hij die zou verliezen. Cruijff, minus diens leiderschap, eerder de man die de beslissende passes gaf aan Cruijf zodat die kon schitteren.

Wat moeten we doen met de irritaties die de grijns nog steeds bij ons opwekt? Waarom worden we boos, schamen we ons voor de grijns die we van hem overnamen maar nooit dat effect had van de zijne? Zijn onze boosheid en schaamte niet ook een freeze van wat we lang geleden al hebben ervaren en hebben moeten verdringen? Ook nu weer glimlachen we om de charmes van de man die zijn krachten verliest maar blijft grijnzen en praten.

Misschien moeten we het niet zien als verdringing van irritatie, maar als wisseling tussen emoties. Door te wisselen kijken we of we zelf nog flexibiliteit kunnen betonen. Alsof we mijn moeder willen laten zien dat we dat kunnen, dat haar schaamte onnodig is en dat we maar een spelletje spelen. Masker op, masker af, kiekeboe.

Afbeeldingsresultaat voor mask greek comedy

vrijdag 7 april 2017

Jakobsladder

Hij zat ferm achter het stuur met mijn zus ernaast. Van de zijkant werden ze ineens geramd door een automobilist die in slaap was gevallen. Een dubbele salto, doch zeker geen mortale.

Sindsdien rijdt hij rondjes door de heuvels. Belicht door jakobsladders en beregend door waaiers.

Daar rijdt hij nog steeds, de vliegende Limburger. Nu eens geassisteerd door zijn dochter, dan weer zijn zoon. Dapper dat hij nog steeds blijft rijden, al is het niet in zijn eigen auto (total loss) en al heeft hij het stuur niet vast. En al doet de auto niet meer wat hij zegt en al doen zijn dochters en zoons niet meer wat hij zegt.

Wat hij wel weet is der kotste weag. Dat is handig voor de vliegende Limburger. Niet om snel thuis te zijn, dat niet, maar zeker wel om de rit een schijn van nut te geven. Je brengt een doel aan en dan heb je automatisch een kotste weag. Bereik je dat doel, dan kun je weer een volgend doel plannen. De doelen rangschik je zo dat ze automatisch leiden naar de pleisterplaatsen in Gulpen en Brunssum.

Het hele ritje wordt zo alsnog een persona van der kotste weag van huis naar huis.

Ik herinner me zijn vader, stationschef van Gebrook, die op zijn sterfbed nog feilloos de vertrektijden van de jaren dertig afriep. Zo krijg ik zicht op mijn eigen oude dag waarop ik blijf doortikken aan mijn blogs. Ik raak buiten bewustzijn, iedereen is vertrokken. Alleen mijn vingers blijven tikken. Waarvan akte.

Afbeeldingsresultaat voor jakobsladder

zaterdag 7 januari 2017

De dode zielen van Facebook

Het zal er wel niet voor bedoeld zijn, maar het is leuk om langs de fotootjes van je vrienden te gaan. Ze stralen je tegemoet, verversen geregeld hun fotootjes. Facebook vraagt erom, en soms manen je vrienden je om die foto te verversen.

Juist in hun herhaling, hun veelheid, hun directheid hebben deze gezichten iets onpersoonlijks. Gecommuniceerd wordt er volop, maar niet op een manier die ik persoonlijk zou kunnen noemen. Juist dat onpersoonlijke is het wonderlijkste. Je klikt de foto aan, je klikt hem niet aan. De foto geeft geen sjoege, blijft gewoon die foto. Of verandert omdat Zuckerberg dat wil. Maar die Zuckerberg wordt ook al niet mijn persoonlijke vriend.

Ik denk terug aan Gogol, zijn 'Dode zielen'. Pavel Ivanovitsj Tsjitsjikov gaat bij landheren op bezoek om namen van gestorven lijfeigenen van hen te kopen. Die kan hij vervolgens te gelde maken, omdat ze administratief nog niet zijn afgeschreven. Zijn geheim wordt echter ontdekt en Tsjitsjikov slaat op de vlucht.

Het onpersoonlijke heeft dus iets met de dood te maken, zoals de titel en de plotuitleg al duidelijk maken. Tsjitsjikov is een vrolijke bedrieger die geld wil verdienen. Maar hij is terechtgekomen in een literair verhaal. Daar gaat het qua geld verdienen niet altijd automatisch goed. Zo schreef Gogol een vervolg op zijn verhaal, stak dat in de fik en kreeg daar vervolgens weer spijt van.

Je zou dus van een offer kunnen spreken. 'Each man kills the thing he loves.' Maar uit Gogols plannen blijkt eerder dat hem de beschrijving van een moreel ideaal voor ogen stond, en de opgang van de mens naar dat ideaal, naar het model van Dantes goddelijke komedie. In plaats van een gelukt offer zouden we dus evengoed kunnen spreken van een mislukt ideaal, en van de twijfel tussen beide opties.

Kunnen we dit alles terugprojecteren op Facebook? Ooit betrad ik Facebook op advies van een vriend die zei dat ik het kon gebruiken als reclamemedium voor mijn blogs. Dat mislukte, omdat het niet de bedoeling is langere en complexere boodschappen via Facebook te verspreiden. Maar goed, ik kijk af en toe nog eens naar de foto's. Ze geven me de mogelijkheid mezelf te presenteren als supervriend, met veel andere vrienden. Ik voel me vitaler dan ooit. Dan slaat de twijfel toe. Iemand kan me ontmaskeren, me erop wijzen dat ik wel erg zelden inlog en weinig likes aanbreng bij de communicaties van mijn vrienden. Ik sla op de vlucht, verlaat Facebook voor langere tijd.

Maar kijk, hier ben ik weer! Tijd om dit middel niet ongebruikt te laten, er mijn persoonlijke weg in te vinden. Ik ben bereid u te gebruiken, u te administreren, in te gaan op uw uitnodiging voor het bal, te worden verraden, mijn blogs prijs te geven aan de vergankelijkheid en daar weer spijt van te krijgen. Dit alles tot meerdere eer en glorie van de dode Gogol, en niet te vergeten natuurlijk Zuckerberg.




maandag 12 september 2016

Berg je

Om mij heen zijn krachtige mensen met uitstraling. Door hen heb ik ontdekt dat het wellicht in elke mens zit, een zekere mate van kracht en uitstraling. Ze vullen de wereld om zich heen met die uitstraling. Die wereld komt er vervolgens zo uit te zien als zij zich die voorstellen.

Afgelopen dagen heb ik met mijn vader doorgebracht. Over hem gaat deze blogserie voor een deel. Hij kan de verbale ruimte vullen als geen ander. Wat een gesprek lijkt is al gauw een alleenspraak waarbij de ander de kleine ruimte zoekt voor repliek. Repliek die 'is blowin' in the wind'.

Ik vraag me af of ik niet als gevoelig kind de filosofie ben gaan opzoeken als een soort list om me in zijn ruimte te kunnen handhaven. Hoe dicht ook tegen het Christendom aan, de filosofie is voor mijn vader zo goed als onbereikbaar. Ze was wellicht een ruimte waarin ik me kon verbergen. Een belangrijk onderdeel was ook de ironie. Zo kon ik op mijn eigen manier de ruimte omtoveren.

De samenspraak met andere filosofen heeft niet gewerkt zoals de magie van mijn vader voor mij werkte. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik impact kon hebben op anderen. Misschien werkte het ook anders, eerder als een ruimte waarin ik me kon verbergen, een panic room.

Geleidelijk kom ik op het spoor van iets wat voor mij een mogelijkheid zou kunnen zijn. Het leven is wellicht niet bedoeld, althans voor mij, om impact te hebben, mijn sporen in de wereld te drukken. Het is voor mij eerder een kwestie van leven met hulpmiddelen die door vele anderen zijn beproefd, vooral de filosofie en literatuur.

Deze blogs, niet meer dan een wit vlak waarin het wonder zich keer op keer voltrekt, de omtovering van de wereld. Niet minder dan dat ook.

Afbeeldingsresultaat voor mergelgrot

vrijdag 13 november 2015

Familie van filosofen van deze tijd

Wie wil kennismaken met filosofie kan natuurlijk de filosofie in duiken. Of ontdekken dat hij er altijd al in zat. Maar na Hegel beseffen we steeds meer dat de filosofie aan scherven ligt. Daarom is het raar dat de voorkant van het boek Filosofen van deze tijd wordt opgesierd door de uil, het beroemde symbool van de filosofie die post festum haar vleugels uitspreidt. Of moeten we dat juist opvatten als het wegvliegen van de uil?

Hoe dan ook, ook dan kun je je afvragen wat er overblijft, na het feest, na Hegel, na de geschiedenis. En, zeker in verband met Hegel niet onbelangrijk: welke vorm dringt zich dan op om van dit restant nog verslag te doen?

Maarten Doorman en Heleen Pott spreken in hun inleiding duidelijke taal:
Het is onmogelijk om in deze tijd nog de filosofische rekening op te maken. Filosofen laten zich niet meer overzichtelijk indelen in een afgemeten aantal stromingen of trends. Dat is de reden dat we in het vervolg van dit boek de filosofie bespreken aan de hand van zevenentwintig onafhankelijke monografieën. (p.19-20)
Onafhankelijk, dat klinkt wel erg stoer zeg. Wat of wie is er nu onafhankelijk, de filosofen die worden besproken of de monografieën? Of Hegeliaans gezegd: hoe hangen vorm en inhoud samen, hoe getuigen de onafhankelijke monografieën van de onafhankelijkheid der filosofen, met name van stromingen en trends, onafhankelijk van het Grote Overzicht, gesymboliseerd door de uil van Minerva?

Ziedaar de voorwaar niet eenvoudige opgave die de redacteuren zich hebben gesteld. Misschien kan zo'n opgave alleen maar mislukken. Het model voor de terugleiding van de onafhankelijkheid naar de verbanden is vroeg of laat altijd de familie. Ook in dit geval is dat zo, en wel nog in dezelfde alinea:
En al zijn er dan geen gemeenschappelijke kenmerken meer te noemen, op grond waarvan de beschreven filosofen zich laten indelen bij een bepaalde groep, een stroming of een trend, er zijn toch minstens een paar 'familiegelijkenissen' (Wittgenstein) te melden. (20)
Het is illustratief dat precies Wittgenstein wordt verkozen tot een soort vader van de familie, of beter gezegd van een soort Aufhebung van de familie in de geest van Hegel. Wittgenstein had een nogal dominante, steenrijke vader, en de verhalen over de banden met zijn broers en zussen zijn spectaculair. Suicide, het krijgen van de hele erfenis en die later weer weggeven, je kunt smullen van deze verhalen, ze zeggen iets over deze familie. Maar zeggen ze ook iets over de familie, wat een familie is en kan zijn, altijd en overal?

Maar goed, waar de auteurs met hun 'familiegelijkenissen' op doelen is de benadering van Wittgenstein in zijn eigen erfenis, de posthuum verschenen Philosophical Investigations. Daarin legt de filosoof uit dat we de taal niet moeten opvatten als een geheel, maar als een verzameling games, spelletjes met veelal impliciete regels. Wittgenstein:
(66) We zien een gecompliceerd web van gelijkenissen, die elkaar overlappen en kruisen. Gelijkenissen in het groot en in het klein.
(67) Ik kan deze gelijkenissen niet beter karakteriseren dan met het woord 'familiegelijkenissen'; want zo overlappen en kruisen de verschillende gelijkenissen tussen de leden van een familie elkaar: bouw, gelaatstrekken, kleur van de ogen, manier van lopen, temperament, etc. etc. - En ik zal zeggen: de 'spelen' vormen een familie.
Hebben we het over de filosofie en de filosofen, dan hebben deze ons eigenlijk altijd misleid, aldus Wittgenstein. Ze vragen bijvoorbeeld wat tijd 'eigenlijk' is, en scheppen daarmee een onnodig en uitzichtsloos probleem. We zitten als vliegen gevangen in het glas. Wittgensteins eigen filosofische arbeid was een vorm van therapie, een poging de vlieg te bevrijden uit het glas. Daarna kon die vlieg misschien zelfs ontdekken dat er geen glas was.

Dat deed Wittgenstein niet door verklaringen te bieden, maar door een helder overzicht op te stellen. De metafysische argumenten moeten weer worden teruggebracht naar de praktijk van alledag. Daar hoeven we echt niet te weten wat tijd eigenlijk is, we willen gewoon weten hoe laat het is, of contact leggen met een ander via de vraag hoe laat het is.

Een helder overzicht dus. Waarom zou je dat kunnen verkrijgen in de vorm van monografieën? Dat is zeker niet des Wittgensteins, bij hem weet je zelfs vaak niet wie er nu aan het woord is, hijzelf of zijn tegenstanders. De bedoeling is namelijk dat je zelf gaat nadenken. Nadenken als bevrijding uit de filosofie.

Misschien zouden we in de geest van Wittgenstein moeten afzien van de monografie, wanneer gebleken is dat het bij elke filosoof niet om een monos gaat, maar om een pluraliteit van games en verwoorders. Maar dan nog rest de vraag: welke zin kan een monografie hebben vanuit deze Wittgensteiniaanse aanname? Hoe kunnen we de monografieën van Filosofen van deze tijd lezen vanuit de aanname dat het denken over taal in gang moet worden gezet, om de vlieg of de uil te laten wegvliegen?

Welnu, dat is heel goed mogelijk. Alle denkers van dit boek behoren tot de Hegeliaanse familie, de familie die wordt aufgehoben en zo zichzelf op een ander niveau redt. Ze zetten allen een denken over de taal in gang, en tussen deze acties kun je vele overeenkomsten en verschillen blijven ontdekken, 'familiegelijkenissen'.

Wat waarschijnlijk niet zal lukken, als je deze monografieën leest, is de bevrijding uit de filosofie. Net als Wittgenstein blijven we terugkeren naar Wenen, of 'Wenen', bijvoorbeeld om een huis te bouwen voor onze zus, en komen we na afbouw ineens tot de eis dat het plafond beter 3 cm hoger kan. Het is voor ons moeilijk voor te stellen in welk taalspel deze eis past, maar het is beslist niet onmogelijk dat het niet alleen iets verheldert over de familie Wittgenstein, maar ook over onszelf, of ons zelf, ons zo onafhankelijk geachte zelf.

Sloterdijk ziet in deze kleinschalige veeleisendheid iets wat je een familiegelijkenis met Nietzsche zou kunnen noemen. Als Wittgenstein 'gewoon' zegt, bedoelt hij eigenlijk 'buitengewoon',  een gewoonte die hij erfde van de Wiener Werkstätte van de Sezession, die deels door zijn vader gefinancierd was. Wittgenstein past dus perfect in de op Nietzsche geïnspireerde 'trainingstheorie' van Sloterdijk zelf, de Sloterdijk die in zijn volgende boek uitvoerig over vaders zal schrijven.

De monografieën zijn volgens deze gedachtelijn misschien wel vormoefeningen, pogingen elke filosoof in te passen in een sjabloon, en vervolgens te ontdekken dat dat sjabloon een paar centimeter hoger moet. Maar dat moet de lezer dan zelf maar weer zien.