Waar ik in deze blogserie over mijn vader nog niet over had nagedacht was zijn relatie met de tuin. We hadden wel een tuin, maar die stelde eerlijk gezegd niet veel voor. De voortuin was een grasveldje met een Japanse kers, en eromheen een paar bloembedjes. Aan de achterkant, die ook een verdieping lager was, lagen tegels. Toch was er een tuin, en wel bij zijn ouders, bij Hoensbroek. Daar lag een flinke tuin, en mijn vader voelde zich daarvoor verantwoordelijk: der gaat, iemand moest die tuin bijhouden, met van alles erin, groenten ook, het had nooit zo mijn interesse.
Het heeft daarom iets glibberigs als ik door omstandigheden word aangespoord om te denken over de tuin van mijn vader. De tuin van mijn vader, dat is dus de tuin van zijn ouders. En zijn relatie ermee was verantwoordelijkheid, plichtsgevoel. Dat zal ook verklaren waarom ik me op mijn beurt verplicht voel om een blog te schrijven over zijn relatie tot de tuin.
Aanleiding is het autobiografische boek van Georgi Gospodinov, De dood en de tuinman, waarin hij een loflied op zijn vader schrijft, rondom zijn sterven. Raar eigenlijk, die titel, want wij kennen het gedicht van Van Eyck, De tuinman en de dood (zie hier dat gedicht). Het Bulgaars zegt 'Gradinaryat I smurtta', de tuinman komt er toch echt als eerste. Die opvallende keuze van de vertaler en uitgever wordt niet uitgelegd, en verklaar ik maar uit zorg dat we het boek niet verwarren met het gedicht. Maar verwarring is nu eenmaal een gegeven van het leven, jongens. Het is de keerzijde van verbindingen en relaties.
Zo moest ik wel meteen al aan het gedicht denken toen ik het boek kreeg, het gedicht dat mijn vader van buiten kende en vaker declameerde. Ik dacht daarbij nog niet aan de dood, en ook niet aan de tuinman, maar wel aan het optreden van mijn vader, die graag de aandacht ving met verhalen en gedichten (zie ook deze blog). Dat was zeker ook een karaktertrek van de vader van Gospodinov. Ik moet ook nog aan een andere dichter denken, de vriend van mijn dochter Frederiek. Van hen kreeg ik het boek cadeau. Hij heet Giorgos, en heeft dus dezelfde patroonheilige als Georgi Gospodinov. Hun feest is op 6 mei, toevallig ook de verjaardag van mijn peetoom Math zaliger, wiens dochter (zaliger) woonde in het ouderlijk huis van haar en mijn vader. De keten van associaties en verwisselingen brengt me zodoende weer bij die gaat die mijn vader bijhield, en blijkbaar moet ik daar iets mee.
Daarmee heb ik de link met de thema's personae (masker, optreden en persoonsverwisseling) bevestigd. Daarnaast zoek ik ook in deze serie steeds de link met persona in de minder gangbare afleiding van het Etruskische Phersu, de halfgod die kwam optreden bij lijkenspelen (zie deze blog). Ik zie bij Gospodinov zelfs een passage waarin hij het verschijnen van zijn vader tussen hemel en onderwereld beschrijft, als hij op het vliegtuig naar India stapt:
Mijn vader verschijnt onmiddellijk, zonder kennisgeving. Hij kan nu rustig met mij overal naartoe vliegen, hij loopt probleemloos door de scanner, wacht tot ze mijn koffer hebben gecontroleerd, steekt achteloos een sigaret op (ondanks het rookverbod), hangt rond met de elegantie van de reiziger zonder bagage. (...) Het gebeurt ook weleens dat hij verschijnt via de gezichten van andere mensen, die zijn gezicht overnemen, of via gebaren of een bepaalde manier van lopen die aan hem doet denken. (p.25-26)
Je zou daarom het boek van Gospodinov kunnen lezen als een omgekeerde Freud. We brengen onszelf in problemen doordat we niet doorhebben dat mensen onze vader representeren, maar bij Gospodinov schenken onze vader ons, en wij aan hem, een gezegend leven na de dood wat ons kan helpen bij onze problemen.
Ik overdrijf een beetje, het boek is zeker ook een wanhoopskreet. Gospodinov weet niet goed waar hij met zijn rouw naartoe moet: 'Mijn vader is gestorven. Ik weet niet wat ik moet doen.' (219). Maar het een roept het ander op, het verdriet zoekt troost, en daardoor word je weer aan je verdriet herinnerd. Waardoor er meer aan de hand is dan rouwverwerking is doordat er vertrouwen is, het vertrouwen dat Gospodinov afleest van een icoon van de heilige Georgi, Sint Joris. Het is goddorie bijna religie.
Kunnen we nog betekenis destilleren uit die volgorde in de titel, eerst de tuinman, dan pas de dood? Ja, denk ik, en wel aansluitend bij het voorafgaande, de ervaring van de dood en het verdriet. Ik lees de eerste zin van het boek: 'Mijn vader was een tuinman. Nu is hij een tuin.' (p.9) Het mooie van een tuin is dat die ons kan overleven. We kunnen de zinnen zo interpreteren dat de tuin voor de dood komt en na de dood. De dood is de tuin. Het boek had dus ook 'De tuinman en de tuin' kunnen heten. Georgi heeft verdriet om de kersenboom die zijn vader heeft geplant en die hij zelf niet meer kan zien. Die kersenboom maakt duidelijk dat het verdriet misschien wel kleiner wordt in de loop van de tijd, maar belangrijker is dat het voortduurt, tot in de toekomst: 'De dood is een kers die rijpt, zonder jou.'
Nu weet ik weer een beetje beter wat me te doen staat. Ik moet schrijven, deze blogs zijn een tuin waarin woorden opkomen en weer verdwijnen. Beetje wieden, beetje plukken, en vaak ook helemaal niets doen. Voltaire zei dat we ons tuintje moesten verzorgen, maar Gospodinov denkt daarbij meteen aan het enorme huis van Voltaire, die de verzorging van zijn tuin overliet aan zijn dienaren. Zo is het, de woorden zijn niet van ons, we horen ze van anderen en schrijven ze op. Zo is Gospodinovs vader ook een beetje mijn vader.
![]() |
| Isfahan International Airport |
