Vroeger, bijna voor mijn eerste herinnering, hadden we nog een kolenhaard. Er was zeker ook een kolenkit. Mijn vader werkte bij de koel. Ergens in mijn omgeving zag je altijd iets van de mijn. Er waren die steenbergen waar hekken omheen stonden, waar je dus niet mocht spelen. Je had de lange Jan en de nog hogere lange Lies. We gingen onze vader soms opwachten bij de koel, waar hij bovengronds werkte, op kantoor. Het zag er in de buurt, vlak bij de stad en de bioscopen, altijd een beetje zwart.
Omdat we in Nederland woonden zagen we lange tijd die mijn als iets van Limburg. Heel soms kwam je in Genk (België), of over de grens boven Aken, waar je ook die torens en steenbergen zag. En afgelopen week zagen we de mijnen in het Ruhrgebied, via de kunst, in Manifesta 16. Het onderwerp was eigenlijk niet dat mijnverleden, het ging om transformaties van kerken door kunst, met als aanleiding de beëindiging van het kerkelijke eigendom. Je zou dus kunnen zeggen: secularisatie, in zijn oorspronkelijke betekenis van het vrijgeven van de kerken voor andere doelen, zoals na de Franse revolutie.
Maar in het Ruhrgebied kom je er niet omheen, om de mijnen. De verschrikkingen zelf zijn verdwenen en hebben plaatsgemaakt voor documentaires, sociale problematiek en verheven esthetiek, zoals het Ruhrmuseum in Essen dat gevestigd is in het oude mijncomplex. We zagen een groot filmscherm in een van die kerken met beelden van het verleden, met veel zwart. Het lijden van de arbeiders werd erg benadrukt, waarbij ook hun enorme trots opnieuw duidelijk werd.
Weinig kans dat ik in deze artistieke omgeving mijn overleden vader tegenkwam. Mijn moeder hield van moderne kerkgebouwen, mijn vader was meer geïnteresseerd in de verbale kant van de godsdienst, de preken en discussies, met ook nog een vleugje Mariaverering. Maar als ik mezelf tegenkom, kom ik vanzelf ook mijn vader tegen, dat valt niet te vermijden. Hier gebeurde dat toen ik met Inez discussieerde over een bijschrift bij een aantal foto's van steenbergen. Ik word dan kennelijk nogal irritant, en dat gevoel herken ik vooral van mijn vader. Beetje drammerig, prekerig.
In deze zwakte ligt dus zeker ook een kans. Een kans om mezelf tegen te komen, dus ook mijn vader, en misschien zelfs iets van de wereld, de wereld van de mijnen. Laat ik even kort - als je het niet te ver gezocht vindt - herinneren aan die rode draad in deze blogserie, de Etruskische halfgod Phersu die uit de onderwereld opdook bij lijkenspelen, een theatrale jager (zie deze blog). De onderwereld is de wereld waar de doden verblijven, maar ook de untermenschen. Daar reken ik ook maar even de mijnwerkers toe, inclusief hun familie boven de grond. Mijn vader werkte boven de grond, zijn relatie met de onderwereld verliep via de organisatie, de regelingen en de getallen (hij werkte bij de salarisadministratie). Maar de paradox is toch dat de bovenwereld deels ook weer ten dienste stond van de onderwereld. En de meeste mensen boven de grond waren geen bazen, ze waren evengoed ondergeschikten, dienstverlenend en ondergeschikt.
Goed, terug naar die irritatie. Die ontbrandde bij de fotoplaten van Nicolas Grospierre, The Black Below (1926), opgehangen aan de zijwand van de Christ König-kerk in Bochum. Het bijschrift citeer ik maar even in eigen vertaling:
'Hoe kan afwezigheid worden uitgebeeld? En wat kan fotografie doen om dit te bereiken? Nicolas Grospierre zegt: "Deze foto's moeten niet het Ruhrgebied verklaren, maar de voorwaarden van zijn onzichtbaarheid laten zien. De mijnbouw (extraction, Abbau) heeft een landschap voortgebracht dat gekenmerkt wordt door afwezigheid, van wat verwijderd, verplaatst en begraven werd. Fotografie is een medium dat traditioneel met bewijskracht en waarheid wordt geassocieerd, maar hier wordt ze gedrongen naar een gebied van onzekerheid: ze houdt vast wat overblijft, en verwijst daarbij koppig naar datgene wat niet kan worden getoond."'
Zo gezegd moet ik bij die foto's al snel denken aan het beroemde Zwart vierkant van Malevitsj. Hij zei erbij dat hij 'het gelaat van God' had afgebeeld. Het was het absolute nulpunt van de kunst. Moeten we de afwezigheid van Grospierre ook zo opvatten? Het heeft altijd iets precairs wanneer je in absolute, filosofische termen praat over iets wat je gewoon kunt zien. Termen als 'afwezigheid' of bij Malevitsj 'nulpunt' klinken mij nogal filosofisch in de oren, en dan ben ik geneigd om Wittgenstein erbij te halen, of de teksten die ik met filosofische vrienden in de jaren negentig las, onder de noemer 'negatieve theologie'. Over God kun je alleen zeggen wat Hij niet is, en per analogie geldt dat ook voor alle andere dingen.
Maar dan zitten we nog steeds niet in het gebied van onzekerheid, die hoek waarin Grospierre ons wil duwen. We hebben koppigheid nodig om daar te komen, wat wellicht voor een deel de irritatie verklaart die bij mij optreedt, en die ik uitstraal als ik erover praat. We zullen de tegenspraak moeten accepteren dat de foto's iets tonen wat niet kan worden getoond. Daarnaast is er toch nog een andere reden voor mijn irritatie. Iemand die mij vertelt dat hij iets wil tonen wat niet kan worden getoond lijkt me te vertellen dat hij toegang heeft tot het afwezige, als een priester die als enige het heilige der heiligen mag betreden. Dat privilege is een gegeven waar mijn vader niet goed tegen kon. De privileges die met het priesterschap verbonden waren, uitsluitend mannen, pratend in geheimtaal, Latijn.
Is er een manier om naar dat landschap te kijken zonder een beroep te doen op privileges? Mijn oog valt op die term landschap. We lopen door die wijken in Bochum, Gelsenkirchen, Essen, met hun verschillen in rijkdom en armoede, met het verval en de immigratie (die ook een dominant element was van de mijngeschiedenis, de Italianen, Polen en later Turken en Marokkanen). We zien tussen de steden het vlakke landschap met soms een bult van de voormalige steenbergen. Dat is wat er overblijft. Waarschijnlijk willen we dat dit verdwijnt, het moet allemaal plaatsmaken voor iets anders, iets beters. Daarom houden we zo van verandering. Manifesta 16 doet hieraan mee door kerken in te richten als plaatsen van verandering, transformatie.
Maar dan is er die koppigheid van de fotograaf, die zegt dat er iets blijft, er blijft iets over (zie ook deze blog over Agamben). Het is niet zijn privilege om dat te tonen, want we kijken allemaal naar dat landschap, we lopen erin en we leven erin. Alleen hebben we meestal niet door dat we leven in iets dat blijft, dat er altijd zal zijn, namelijk wat uit ons zicht verdwenen is. Wel kun je zeggen dat de foto dit makkelijker kan uitdrukken dan de film, omdat de foto niet beweegt. De foto is koppig omdat hij onze bewegende blik steeds terughaalt naar dat ene beeld.
De term afwezig drukt twee verschillende dingen uit. Ze kan suggereren dat iets er niet is, dat het niet bestaat. Dan valt ze onder het verdict van de negatieve theologie en van de filosoof Severino, die ik tegenwoordig aan het lezen ben (zie deze blog). Het is erg onfatsoenlijk om te denken dat het mijnverleden niet bestaat, omdat onze wereld is veranderd. Het mijnverleden is er, kijk maar naar het landschap en naar de foto's. De term afwezig kun je ook anders opvatten: iets is er wel, maar we zien het niet. Iets is ergens anders. Daarom moeten we ernaar verwijzen, we moeten het tonen met een beeld, een foto.
Zo kun je zeggen dat mijn vader afwezig is. Hij is vijf jaar geleden overleden, en was voor zijn dood met zijn dementie al een restant van wie hij was. Maar zeg je restant, dan zeg je dat iets blijft, het blijft over. Het blijft in deze uitleggerige toon van me, mijn koppigheid en irritatie. We laten ons graag meenemen naar kunst, maar daarna beginnen we erover te praten, en dan gaan we dingen uitleggen. We vangen de dingen in onze woorden en maken ze daarmee tot iets oppervlakkigs.
Grospierre drukt dit weer uit in een ander kunstwerk, dat zich bevond in de entreehal van de kerk. In de muur was een nis, waar ooit wellicht een beeld had gestaan. Nu had hij er een foto tegen de achterwand van de nis bevestigd van kolen in een stalen raster. Het bijschrift legt uit dat dit raster de communicatie met de talrijke moslims in het Ruhrgebied kan bevorderen. Moslims die meer dan wij gebonden zijn aan het beeldverbod. Het raster houdt de kolen bijeen maar is zelf ook iets.