woensdag 26 april 2017

Grijns

Is een masker nog een masker wanneer het meebeweegt? Het zal dan hoogstens meebewegen als een blubberende materie. De omgekeerde vraag is interessanter. Is een persoon nog een persoon wanneer zijn gezicht bevriest tot een bepaalde uitdrukking, een grijns?

Als kinderen staken we graag het hoofd half uit de auto om naar de spiegel te kunnen kijken en trokken gekke bekken. 'Pas op', waarschuwde mijn moeder ons, 'zometeen blijf je erin steken en krijg je je gewone gezicht niet meer terug.' Kenmerkend voor mijn moeder was de schaamte, de angst dat er iets gebeurde waarvoor zij zich moest schamen. Bij haarzelf hoorden ook haar kinderen en haar echtgenoot. Mijn vader moest zich altijd omdraaien voordat hij de deur uitging, zodat zij kon zien of er iets mis was met zijn kleren of anderszins.

Mijn vader kent geen schaamte. Hij gaat op in alles wat volgens hem indruk maakt op anderen, maar voorzover ik kan zien is hij nooit bang die indrukwekkende kanten te verliezen. Hij heeft een bewonderenswaardig vermogen om zijn zwakkere kanten voor zichzelf te verbergen, en denkt daarmee ook dat ze voor anderen verborgen zijn.

Dat verklaart wellicht de reflexen waarover hij ook nu nog beschikt, nu zijn vermogens teruglopen en hij moet terugvallen op wat wel nog functioneert. Functioneren is een sterk woord, te sterk. Want wat er functioneert, zijn dus nu juist de kanten die we niet gauw functioneel zullen noemen, of die minstens paradoxaal zijn.

Gisteren kwam er een zorgmevrouw op bezoek, de zoveelste. Ze kwam kennismaken en vond het geen probleem dat mijn vader haar vragen soms niet beantwoordde, maar elke gelegenheid aangreep om oneindige zijwegen in te slaan. Niet der kotste weag dus, in dit geval. Vroeg de mevrouw of hij zelf kon koken, dan begon mijn vader over de kookvermogens van zijn dochter en over de indrukwekkende studies van zijn andere kinderen.

Vanuit mijn positie had ik zicht op zijn permanente grijns. Als hij zich verstrikt in zijn omwegen en zijwegen van die omwegen, behoudt hij zijn grijns. Het is een freeze die hem stabiliteit verschaft bij alle bewegingen en quasi-bewegingen. De grijns heeft als zodanig geen betekenis, hij versterkt het non-communicatieve karakter van zijn verbale uithalen.

Toch zouden we er een restant van betekenis in kunnen zien, alleen al omdat hij diezelfde grijns vroeger ook had, toen alles wel nog functioneerde. De grijns is ongetwijfeld bedoeld als wat Cicero een captatio benevolentiae zou noemen, een verovering van de welwillendheid van de ander. Het wordt voor de gesprekspartner moeilijker om zijn antihouding vol te houden, de grijnzer is van goede wil en dan zullen zijn argumenten toch ook wel kloppen.

De meeste mensen vroeger waren gevoelig voor zijn betogen en vast ook wel voor de grijns. Ze waren onder de indruk van de vriendelijkheid en geleerdheid van deze selfmade man. Hijzelf moet zich gevoeld hebben als een soort Cruijff, bewust van zijn eigen kracht en geen moment bang dat hij die zou verliezen. Cruijff, minus diens leiderschap, eerder de man die de beslissende passes gaf aan Cruijf zodat die kon schitteren.

Wat moeten we doen met de irritaties die de grijns nog steeds bij ons opwekt? Waarom worden we boos, schamen we ons voor de grijns die we van hem overnamen maar nooit dat effect had van de zijne? Zijn onze boosheid en schaamte niet ook een freeze van wat we lang geleden al hebben ervaren en hebben moeten verdringen? Ook nu weer glimlachen we om de charmes van de man die zijn krachten verliest maar blijft grijnzen en praten.

Misschien moeten we het niet zien als verdringing van irritatie, maar als wisseling tussen emoties. Door te wisselen kijken we of we zelf nog flexibiliteit kunnen betonen. Alsof we mijn moeder willen laten zien dat we dat kunnen, dat haar schaamte onnodig is en dat we maar een spelletje spelen. Masker op, masker af, kiekeboe.

Afbeeldingsresultaat voor mask greek comedy

zaterdag 8 april 2017

Jakobsladder

Hij zat ferm achter het stuur met mijn zus ernaast. Van de zijkant werden ze ineens geramd door een automobilist die in slaap was gevallen. Een dubbele salto, doch zeker geen mortale.

Sindsdien rijdt hij rondjes door de heuvels. Belicht door jakobsladders en beregend door waaiers.

Daar rijdt hij nog steeds, de vliegende Limburger. Nu eens geassisteerd door zijn dochter, dan weer zijn zoon. Dapper dat hij nog steeds blijft rijden, al is het niet in zijn eigen auto (total loss) en al heeft hij het stuur niet vast. En al doet de auto niet meer wat hij zegt en al doen zijn dochters en zoons niet meer wat hij zegt.

Wat hij wel weet is der kotste weag. Dat is handig voor de vliegende Limburger. Niet om snel thuis te zijn, dat niet, maar zeker wel om de rit een schijn van nut te geven. Je brengt een doel aan en dan heb je automatisch een kotste weag. Bereik je dat doel, dan kun je weer een volgend doel plannen. De doelen rangschik je zo dat ze automatisch leiden naar de pleisterplaatsen in Gulpen en Brunssum.

Het hele ritje wordt zo alsnog een persona van der kotste weag van huis naar huis.

Ik herinner me zijn vader, stationschef van Gebrook, die op zijn sterfbed nog feilloos de vertrektijden van de jaren dertig afriep. Zo krijg ik zicht op mijn eigen oude dag waarop ik blijf doortikken aan mijn blogs. Ik raak buiten bewustzijn, iedereen is vertrokken. Alleen mijn vingers blijven tikken. Waarvan akte.

Afbeeldingsresultaat voor jakobsladder

zaterdag 7 januari 2017

De dode zielen van Facebook

Het zal er wel niet voor bedoeld zijn, maar het is leuk om langs de fotootjes van je vrienden te gaan. Ze stralen je tegemoet, verversen geregeld hun fotootjes. Facebook vraagt erom, en soms manen je vrienden je om die foto te verversen.

Juist in hun herhaling, hun veelheid, hun directheid hebben deze gezichten iets onpersoonlijks. Gecommuniceerd wordt er volop, maar niet op een manier die ik persoonlijk zou kunnen noemen. Juist dat onpersoonlijke is het wonderlijkste. Je klikt de foto aan, je klikt hem niet aan. De foto geeft geen sjoege, blijft gewoon die foto. Of verandert omdat Zuckerberg dat wil. Maar die Zuckerberg wordt ook al niet mijn persoonlijke vriend.

Ik denk terug aan Gogol, zijn 'Dode zielen'. Pavel Ivanovitsj Tsjitsjikov gaat bij landheren op bezoek om namen van gestorven lijfeigenen van hen te kopen. Die kan hij vervolgens te gelde maken, omdat ze administratief nog niet zijn afgeschreven. Zijn geheim wordt echter ontdekt en Tsjitsjikov slaat op de vlucht.

Het onpersoonlijke heeft dus iets met de dood te maken, zoals de titel en de plotuitleg al duidelijk maken. Tsjitsjikov is een vrolijke bedrieger die geld wil verdienen. Maar hij is terechtgekomen in een literair verhaal. Daar gaat het qua geld verdienen niet altijd automatisch goed. Zo schreef Gogol een vervolg op zijn verhaal, stak dat in de fik en kreeg daar vervolgens weer spijt van.

Je zou dus van een offer kunnen spreken. 'Each man kills the thing he loves.' Maar uit Gogols plannen blijkt eerder dat hem de beschrijving van een moreel ideaal voor ogen stond, en de opgang van de mens naar dat ideaal, naar het model van Dantes goddelijke komedie. In plaats van een gelukt offer zouden we dus evengoed kunnen spreken van een mislukt ideaal, en van de twijfel tussen beide opties.

Kunnen we dit alles terugprojecteren op Facebook? Ooit betrad ik Facebook op advies van een vriend die zei dat ik het kon gebruiken als reclamemedium voor mijn blogs. Dat mislukte, omdat het niet de bedoeling is langere en complexere boodschappen via Facebook te verspreiden. Maar goed, ik kijk af en toe nog eens naar de foto's. Ze geven me de mogelijkheid mezelf te presenteren als supervriend, met veel andere vrienden. Ik voel me vitaler dan ooit. Dan slaat de twijfel toe. Iemand kan me ontmaskeren, me erop wijzen dat ik wel erg zelden inlog en weinig likes aanbreng bij de communicaties van mijn vrienden. Ik sla op de vlucht, verlaat Facebook voor langere tijd.

Maar kijk, hier ben ik weer! Tijd om dit middel niet ongebruikt te laten, er mijn persoonlijke weg in te vinden. Ik ben bereid u te gebruiken, u te administreren, in te gaan op uw uitnodiging voor het bal, te worden verraden, mijn blogs prijs te geven aan de vergankelijkheid en daar weer spijt van te krijgen. Dit alles tot meerdere eer en glorie van de dode Gogol, en niet te vergeten natuurlijk Zuckerberg.




dinsdag 13 september 2016

Berg je

Om mij heen zijn krachtige mensen met uitstraling. Door hen heb ik ontdekt dat het wellicht in elke mens zit, een zekere mate van kracht en uitstraling. Ze vullen de wereld om zich heen met die uitstraling. Die wereld komt er vervolgens zo uit te zien als zij zich die voorstellen.

Afgelopen dagen heb ik met mijn vader doorgebracht. Over hem gaat deze blogserie voor een deel. Hij kan de verbale ruimte vullen als geen ander. Wat een gesprek lijkt is al gauw een alleenspraak waarbij de ander de kleine ruimte zoekt voor repliek. Repliek die 'is blowin' in the wind'.

Ik vraag me af of ik niet als gevoelig kind de filosofie ben gaan opzoeken als een soort list om me in zijn ruimte te kunnen handhaven. Hoe dicht ook tegen het Christendom aan, de filosofie is voor mijn vader zo goed als onbereikbaar. Ze was wellicht een ruimte waarin ik me kon verbergen. Een belangrijk onderdeel was ook de ironie. Zo kon ik op mijn eigen manier de ruimte omtoveren.

De samenspraak met andere filosofen heeft niet gewerkt zoals de magie van mijn vader voor mij werkte. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik impact kon hebben op anderen. Misschien werkte het ook anders, eerder als een ruimte waarin ik me kon verbergen, een panic room.

Geleidelijk kom ik op het spoor van iets wat voor mij een mogelijkheid zou kunnen zijn. Het leven is wellicht niet bedoeld, althans voor mij, om impact te hebben, mijn sporen in de wereld te drukken. Het is voor mij eerder een kwestie van leven met hulpmiddelen die door vele anderen zijn beproefd, vooral de filosofie en literatuur.

Deze blogs, niet meer dan een wit vlak waarin het wonder zich keer op keer voltrekt, de omtovering van de wereld. Niet minder dan dat ook.

Afbeeldingsresultaat voor mergelgrot

vrijdag 13 november 2015

Familie van filosofen van deze tijd

Wie wil kennismaken met filosofie kan natuurlijk de filosofie in duiken. Of ontdekken dat hij er altijd al in zat. Maar na Hegel beseffen we steeds meer dat de filosofie aan scherven ligt. Daarom is het raar dat de voorkant van het boek Filosofen van deze tijd wordt opgesierd door de uil, het beroemde symbool van de filosofie die post festum haar vleugels uitspreidt. Of moeten we dat juist opvatten als het wegvliegen van de uil?

Hoe dan ook, ook dan kun je je afvragen wat er overblijft, na het feest, na Hegel, na de geschiedenis. En, zeker in verband met Hegel niet onbelangrijk: welke vorm dringt zich dan op om van dit restant nog verslag te doen?

Maarten Doorman en Heleen Pott spreken in hun inleiding duidelijke taal:
Het is onmogelijk om in deze tijd nog de filosofische rekening op te maken. Filosofen laten zich niet meer overzichtelijk indelen in een afgemeten aantal stromingen of trends. Dat is de reden dat we in het vervolg van dit boek de filosofie bespreken aan de hand van zevenentwintig onafhankelijke monografieën. (p.19-20)
Onafhankelijk, dat klinkt wel erg stoer zeg. Wat of wie is er nu onafhankelijk, de filosofen die worden besproken of de monografieën? Of Hegeliaans gezegd: hoe hangen vorm en inhoud samen, hoe getuigen de onafhankelijke monografieën van de onafhankelijkheid der filosofen, met name van stromingen en trends, onafhankelijk van het Grote Overzicht, gesymboliseerd door de uil van Minerva?

Ziedaar de voorwaar niet eenvoudige opgave die de redacteuren zich hebben gesteld. Misschien kan zo'n opgave alleen maar mislukken. Het model voor de terugleiding van de onafhankelijkheid naar de verbanden is vroeg of laat altijd de familie. Ook in dit geval is dat zo, en wel nog in dezelfde alinea:
En al zijn er dan geen gemeenschappelijke kenmerken meer te noemen, op grond waarvan de beschreven filosofen zich laten indelen bij een bepaalde groep, een stroming of een trend, er zijn toch minstens een paar 'familiegelijkenissen' (Wittgenstein) te melden. (20)
Het is illustratief dat precies Wittgenstein wordt verkozen tot een soort vader van de familie, of beter gezegd van een soort Aufhebung van de familie in de geest van Hegel. Wittgenstein had een nogal dominante, steenrijke vader, en de verhalen over de banden met zijn broers en zussen zijn spectaculair. Suicide, het krijgen van de hele erfenis en die later weer weggeven, je kunt smullen van deze verhalen, ze zeggen iets over deze familie. Maar zeggen ze ook iets over de familie, wat een familie is en kan zijn, altijd en overal?

Maar goed, waar de auteurs met hun 'familiegelijkenissen' op doelen is de benadering van Wittgenstein in zijn eigen erfenis, de posthuum verschenen Philosophical Investigations. Daarin legt de filosoof uit dat we de taal niet moeten opvatten als een geheel, maar als een verzameling games, spelletjes met veelal impliciete regels. Wittgenstein:
(66) We zien een gecompliceerd web van gelijkenissen, die elkaar overlappen en kruisen. Gelijkenissen in het groot en in het klein.
(67) Ik kan deze gelijkenissen niet beter karakteriseren dan met het woord 'familiegelijkenissen'; want zo overlappen en kruisen de verschillende gelijkenissen tussen de leden van een familie elkaar: bouw, gelaatstrekken, kleur van de ogen, manier van lopen, temperament, etc. etc. - En ik zal zeggen: de 'spelen' vormen een familie.
Hebben we het over de filosofie en de filosofen, dan hebben deze ons eigenlijk altijd misleid, aldus Wittgenstein. Ze vragen bijvoorbeeld wat tijd 'eigenlijk' is, en scheppen daarmee een onnodig en uitzichtsloos probleem. We zitten als vliegen gevangen in het glas. Wittgensteins eigen filosofische arbeid was een vorm van therapie, een poging de vlieg te bevrijden uit het glas. Daarna kon die vlieg misschien zelfs ontdekken dat er geen glas was.

Dat deed Wittgenstein niet door verklaringen te bieden, maar door een helder overzicht op te stellen. De metafysische argumenten moeten weer worden teruggebracht naar de praktijk van alledag. Daar hoeven we echt niet te weten wat tijd eigenlijk is, we willen gewoon weten hoe laat het is, of contact leggen met een ander via de vraag hoe laat het is.

Een helder overzicht dus. Waarom zou je dat kunnen verkrijgen in de vorm van monografieën? Dat is zeker niet des Wittgensteins, bij hem weet je zelfs vaak niet wie er nu aan het woord is, hijzelf of zijn tegenstanders. De bedoeling is namelijk dat je zelf gaat nadenken. Nadenken als bevrijding uit de filosofie.

Misschien zouden we in de geest van Wittgenstein moeten afzien van de monografie, wanneer gebleken is dat het bij elke filosoof niet om een monos gaat, maar om een pluraliteit van games en verwoorders. Maar dan nog rest de vraag: welke zin kan een monografie hebben vanuit deze Wittgensteiniaanse aanname? Hoe kunnen we de monografieën van Filosofen van deze tijd lezen vanuit de aanname dat het denken over taal in gang moet worden gezet, om de vlieg of de uil te laten wegvliegen?

Welnu, dat is heel goed mogelijk. Alle denkers van dit boek behoren tot de Hegeliaanse familie, de familie die wordt aufgehoben en zo zichzelf op een ander niveau redt. Ze zetten allen een denken over de taal in gang, en tussen deze acties kun je vele overeenkomsten en verschillen blijven ontdekken, 'familiegelijkenissen'.

Wat waarschijnlijk niet zal lukken, als je deze monografieën leest, is de bevrijding uit de filosofie. Net als Wittgenstein blijven we terugkeren naar Wenen, of 'Wenen', bijvoorbeeld om een huis te bouwen voor onze zus, en komen we na afbouw ineens tot de eis dat het plafond beter 3 cm hoger kan. Het is voor ons moeilijk voor te stellen in welk taalspel deze eis past, maar het is beslist niet onmogelijk dat het niet alleen iets verheldert over de familie Wittgenstein, maar ook over onszelf, of ons zelf, ons zo onafhankelijk geachte zelf.

Sloterdijk ziet in deze kleinschalige veeleisendheid iets wat je een familiegelijkenis met Nietzsche zou kunnen noemen. Als Wittgenstein 'gewoon' zegt, bedoelt hij eigenlijk 'buitengewoon',  een gewoonte die hij erfde van de Wiener Werkstätte van de Sezession, die deels door zijn vader gefinancierd was. Wittgenstein past dus perfect in de op Nietzsche geïnspireerde 'trainingstheorie' van Sloterdijk zelf, de Sloterdijk die in zijn volgende boek uitvoerig over vaders zal schrijven.

De monografieën zijn volgens deze gedachtelijn misschien wel vormoefeningen, pogingen elke filosoof in te passen in een sjabloon, en vervolgens te ontdekken dat dat sjabloon een paar centimeter hoger moet. Maar dat moet de lezer dan zelf maar weer zien.

donderdag 30 juli 2015

Signatura en persoon

Laat ik mijn intuïties zo rechtstreeks mogelijk noteren. Check en uitleg kunnen altijd nog later.

Bij Agamben las ik over 'signatura' vanuit Foucault en Paracelsus. Het is een begrip, of liever gezegd iets dat zich beter dan een begrip rekenschap kan geven van de verhouding tussen semiotiek en hermeneutiek, tussen de leer van de tekens en de leer van de interpretatie. Vanuit de semiotiek zul je altijd blijven zitten met het probleem hoe de onderlinge verhouding der tekens kan leiden tot deze bijzondere betekenis.

Je kunt uiteraard als kunstenaar je handtekening zetten rechts onder aan het schilderij. Maar ben je toevallig niet zo beroemd, dan is het maar al te aantrekkelijk om die handtekening te vervalsen. Daarom is het structureel mogelijk, zoals Derrida laat zien, dat je de handtekening losmaakt van het kunstwerk of de tekst, zonder dat die tekst zijn betekenis verliest.

Het lijkt dus een onzinnige onderneming van Agamben, om de signatura structureel immanent aan de tekst of het kunstwerk te verklaren. De signatura neemt aan de ene kant een structurele positie in, die noodzakelijk is tussen de betekenisstructuur en de betekenis. Aan de andere kant is er deze of gene instantie, ik wil niet zeggen een subject of persoon, die de structuur omzet in werkelijke betekenis.

Toch hebben we vaak genoeg meegemaakt dat de betekenisstructuur lang niet altijd wordt omgezet in eenzelfde betekenis, en dat aan de andere kant de betekenis lang niet altijd samenvalt met alle mogelijkheden en ambivalenties die formeel gesproken in de semiotische structuur besloten liggen.

Er moet dus zoiets als een equivalent van de persoonlijke stijl in het werk besloten liggen, die ervoor zorgt dat het werk nog betekenis heeft lang nadat die persoon zijn stempel op het werk heeft gezet, zonder dat die persoonlijke stempel door willekeurig wie op het werk is gezet. Ik denk bijvoorbeeld aan de 'image of the author' van Booth, maar dan zonder dat het beeld verwijst naar een auteur. Het beeld van een masker zonder werkelijk gezicht dringt zich op. Een masker dat zo werkelijk is dat we het werkelijke gezicht of de werkelijke persoon begrijpen naar het model van dat masker.

We weten dat we hier in zoiets als een vervolgverhaal terecht zijn gekomen. De volgende stap moet zijn om te bezien of de signatura iets te maken heeft met Phersu, de Etrurische held uit de onderwereld die bij lijkenspelen komt meespelen. Bij Derrida is dat geen probleem. De signature ontstaat uit de zorg van de schrijver voor zijn leven na de dood. Hij ondertekent zijn testament, de handtekening legt a priori de verbinding tussen de levende en gestorven persoon.

Bij Agamben zou je Phersu kunnen duiden als een signatura die vals speel speelt. Er is in elke tekst en elk ding een signatura immanent. Die brengt de betekenis teweeg door de tekens en de interpretatie te koppelen. Hij is de levenbrenger bij uitstek. Maar tussen de levenbrengers door speelt ineens Phersu mee. We dachten de handtekening al te hebben ontcijferd. Maar ze blijken te zijn geschaduwd en gespiegeld door Phersu. Er ontstaat een fluïde onzekerheidsmarge die de betekenis zelf instabiel maakt.

Zoiets, voorlopig. We komen erop terug.

vrijdag 3 juli 2015

Verdraaid man!

Een machine die echt alles wat je zegt verdraaid teruggeeft, die lijkt sinds kort te bestaan. Mijn dochter heeft zichzelf graag zo in het jaarboek gezet met een foto die hopelijk flink gefotoshopt is, want anders moet ik mijn zelfbeeld als genenleverancier gaan bijstellen. En daarvoor is het te warm en te vrijdagavond.

Maar we kunnen ook verder terug in de tijd, naar de telefoon, volgens Derrida toch al een spookachtig medium. Wanneer je op die manier in contact met de dood bent, hoe kan dan die stem zo'n machine zijn, de machine die al je uitspraken onthoudt en met omgedraaide voortekens terugkaatst? Dat kan alleen wanneer die stem heel veel liefde uitstraalt, heel erg veel liefde die niets anders wil dan je eraan herinneren dat het persoonlijke altijd via de machine, het monsterlijke en het ongekende zelf verloopt.

Het wordt erg lastig om nog die ander en mezelf te onderscheiden. We spelen rollen in een film, acteurs die verwijzen naar personen die weer verwijzen naar andere personen, optreden in het belang van andere personen en met tekst geschreven door andere personen.

Kortom, ik denk aan mijn Phersu, mijn goede Phersu, de verklede held uit de onderwereld die soms weer komt meespelen. In of na de film bleef ik als dood achter, even later opgeraapt door lieve mensen. Ja dank u, het gaat weer, dank u! wilde ik nog zeggen. Hierbij alsnog.