woensdag 6 oktober 2021

Herwelkoming van pap

In mijn vorige blog in deze serie ben ik nogal slordig te werk gegaan. Mijn zus Mieke, zei ik, had in haar toespraak mijn vader rechtstreeks toegesproken. Ik zag daarin een teken dat ze pap opnieuw verwelkomde, maar nu als overledene. Met de aantekening dat we eigenlijk maar weinig weten over de kwestie van het hiernamaals. De vraag of en hoe we pap nog kunnen verwelkomen blijft daarmee open.

Echter, ik had vergeten eventjes in de toespraak van Mieke te kijken. Toen ik dat later wel deed, zag ik dat ze pap helemaal niet had toegesproken. Zelfs geen enkele keer. En dat terwijl ik had gezegd: pap, als je ons daarboven kunt horen, dan bedank ik je graag voor je hulp bij deze uitvaart, voor de instructies die je hebt geschreven.

Mieke vatte het gelukkig niet zwaar op. Af en toe zie ik bij haar een oosterse gelatenheid. Geheel in lijn hiermee eindigde Mieke haar toespraak met een gebed bij een Hindoeïstische uitvaart:

Zoals een man zijn versleten kleren weggooit, en andere, nieuwe kleren aantrekt, zo legt de ziel binnen het lichaam dat lichaam af en betrekt een nieuw lichaam. Mogen uw ogen terugkeren naar de zon en uw adem naar de wind, uw water naar de oceaan en uw as naar de aarde waar het vandaan is gekomen.

Hier zien we wel de afwending (apostrofè) die een toespraak wordt. Dit zeg ik niet als betweter (ik weet wel beter), maar om het verhaal van Mieke opnieuw op mijn bordje te leggen. De vraag blijft nog steeds hoe we pap opnieuw kunnen verwelkomen, te 'herwelkomen'. Ik zag in mijn nabeschouwing de mogelijkheid om dat te doen aan de hand van de uitvaart, door er opnieuw naar te kijken. Ik ben benieuwd waar me dat nu brengt.

Wat er verandert aan mijn eerste blik is vooral de afstand in de taal. Het gaat in het Hindoe-citaat over 'een man' en over 'u'. Dat is een andere toon dan het 'pap' en het 'Abba' van Jezus. Er is dus wel toespraak, maar in een algemenere, omvattendere zin dan het pap dat we gebruiken in een persoonlijke, intieme sfeer. Ik vraag me zelfs af of dat nieuwe lichaam, dat we als nieuwe kleren kunnen zien, niet het kosmische lichaam is: de zon, de wind, de oceaan en de aarde.

We komen nu weer dicht bij de natuurkrachten die ik in mijn vorige blog had onderscheiden van de persoonlijke vader en de persoonlijke God. Toch moet ik dat niet te snel denken, alleen al niet omdat Mieke in haar verhaal mijn vader als persoonlijkheid besprak. Mieke brengt een evenwicht aan tussen de begripvolle houding van pap en zijn vaak felle en uitvoerige betogen. Daarin was hij moeilijk in te dammen. In een glijdende beweging belanden we bij papa de rebel, de ontsnapper. Pap had begrip voor zijn medemens, maar niet als die medemens hem probeerde in te dammen, of op te sluiten.

Des te verrassender is de ontknoping van Miekes verhaal. Pap kwam over als een man met zekerheden. Maar over het hiernamaals twijfelde hij. Mieke niet. Dat zie ik als een daad van verwelkoming, van pap in zijn nieuwe vorm, zijn nieuwe lichaam. Het is verwelkoming in de vorm van een nogal poëtisch gebed: 'zoals een man...': dat zouden we in mijn lessen Latijn een sententia noemen, een algemene wijze uitspraak, maar het heeft ook iets van een uitgebreide vergelijking, bijna zelfs een 'Homerische vergelijking': zoals.... zo, op die manier.... En dan komt dus die apostrofè, de afwending van de luisteraar die tegelijk toewending is tot 'u', 'uw ogen', 'uw adem'.

Mieke leidt het Hindoegebed in met haar eigen, persoonlijke wens, haar hoop:

Papa en ik spraken vaker over leven en dood. ‘Zou er een hiernamaals zijn?’ vroeg hij ooit. Hij twijfelde, ik niet. Hij hoopte dat mijn intuïtie zou kloppen en ik hoop dat hij het nu weet.

Hier blijkt dat we het verhaal van Mieke toch wel moeten opvatten als iets persoonlijks, in de zin waarin ik dat in mijn vorige blog bedoelde, als een persoonlijke, intieme verhouding die je op een bepaalde manier, 'gemaskerd', voor het publiek opvoert. De luisteraar of lezer is toeschouwer bij de persoonlijke gesprekken van Mieke met pap over het hiernamaals, en hier en nu spreekt Mieke haar persoonlijke hoop uit, die we zeker als een gebed kunnen opvatten.

Maar een gebed aan wat of wie dan? Aan de zon, de aarde? Kunnen we pap blijven aanspreken als we zijn as volgens plan hebben bijgezet in het graf met mama? En hoe dan? En hoe spreekt hij dan tot ons?

Ik stel deze vraag aan mezelf. Ik geloof niet in het hiernamaals, maar ik kan me natuurlijk wel vinden in de gedachte van een metamorfose, waarin pap in zekere zin opgaat in de natuur. Lichaam, maar ook ziel.

Ik denk dan graag in termen van overgang, passage. De pap die opgaat in de natuur is de pap die we in zijn laatste dagen zagen worstelen. Hij had geen besef meer van wie en wat, maar hij bleef in zijn oriëntatieloosheid zoeken naar houvast. We zagen een papa die alleen nog maar lichaam leek, waar de ziel uit geweken was. In zekere zin was hij toen al opgegaan in de natuur, in de natuur van zijn lichaam. Toch is dat niet helemaal waar. Die rusteloosheid was evengoed een ziel in een lichaam, en het was een kant van pap.

Terugdenkend zie ik vanuit die toestand van de laatste dagen, maanden, jaren lijnen teruglopen naar de papa van tientallen jaren terug, zoals ik me hem herinner. Ik denk natuurlijk aan zijn vergeetachtigheid, maar ook aan zijn rusteloosheid. 's Ochtends wilde hij graag al weten wat we die dag gingen doen. Ik weet dat zo goed, omdat ik dit van hem heb geërfd. Het voelt alsof een kracht zich van me meester maakt, die ik moet bezweren met plannen voor de dag.

Zeker, de vergeetachtigheid en rusteloosheid zijn symptomen van dementie, en je kunt ze niet zomaar op één lijn stellen met de papa van vroeger. Tenminste, niet als symptomen van dementie. Maar wat weten we van persoonlijkheid? Is het een geheel van eigenschappen, of zoiets als karakter? Is het wat we  - ook bij pap - kleurrijk noemen, waardoor 'kleurrijke persoonlijkheid' eigenlijk een pleonasme is? Misschien is die metafoor van kleur nog zo gek niet. Maar dan in een iets andere zin. Niet van de opvallende persoon, maar in de zin dat de dingen die pap deed en zei, vroeger een bepaalde kleuring hadden die ze later nog steeds hadden, toen hij al dement was. Hij bleef herkenbaar als papa, misschien zelfs in die laatste dagen.

Persoonlijkheid, persona: masker, maar wel een masker dat bij je lichaam hoort, niet iets dat we er van buitenaf op kunnen zetten en inwisselen. En ik blijf op zoek naar die andere betekenis, persona als personage dat steeds opduikt wanneer we ons in de buurt van de dood bevinden, zeg maar 'Phersu', naar de Etruskische halfgod.

Met die blik zou ik het Hindoeïstische gebed kunnen herlezen en er een andere toon in beluisteren. Ik zie pap in zijn versleten kleren. Om hem heen de zorgzamen, veelal vrouwen: mama, Bernadette, Mieke, de verpleging. Er moeten nieuwe kleren voor hem komen. Die moeten worden gekocht. Ze moeten passen. Ook toen pap net was overleden, moesten deze vrouwen bedenken in welke kleren pap zou worden opgebaard. Passende kleren, dat wil zeggen: kleren waarin pap pap is, waarin hij lichaam blijft, zoals een lichaam lichaam is, dat wil zeggen kleren.

Binnen dit mooie, passende geheel zie ik af en toe pap opduiken. Maar dan juist in kleren die versleten zijn. Een broekspijp die nog in zijn sok zit, vanwege de fiets. De papa die zich niet om zijn kleren bekommerde. Die papa blijft opduiken in onze herinneringen, en dat zou mijn herwelkoming zijn.

 



donderdag 23 september 2021

Het uiterlijk van de personae - Nabeschouwing bij de uitvaart

Mijn vader en ik, daarover gaat deze blogserie Personae, die ik zo'n negen jaar geleden startte. In die vier woorden, mijn vader en ik, zit veel betekenis. Mijn vader, dat is de man die me een paar jaar geleden noemde in zijn instructies, waarin hij zei dat ik zijn uitvaart moest leiden. Die taak heb ik gisteren uitgevoerd. Mijn vader is vorige week overleden en gisteren heb ik de uitvaartdienst in crematorium Heerlen geleid. Daarnaast speelt mijn vader een grote rol in mijn leven, en dat hoef ik natuurlijk niet uit te leggen, wat dat is bij iedereen altijd zo.

Maar de vier woorden roepen ook vragen op. Hoezo 'mijn' vader? Was hij mijn bezit? Als we dan toch in termen van bezit moeten praten (liever niet overigens), dan was ik eerder zijn bezit dan hij het mijne. Vandaar dat ik gisterochtend nog snel een paar zinnetjes uit mijn toespraak haalde waarin ik sprak in termen van 'voorrecht' en dat ik trots was op 'mijn' vader. Ik herinner me dat ik als klein kind over een muurtje liep, en dat mijn vader achter me liep. Ik dacht: zou mijn vader trots op me zijn? Zie je, ik dacht toen al dus eerder in termen van bezit in de zin van ik van mijn vader.

Je zou - zoals ik gisteren - dat 'mijn vader' kunnen vervangen door 'pap'. Dat kan uitstekend bij een bijeenkomst, zoals gisteren in het crematorium, waar we met vrienden en familie bij elkaar zaten. Maar het suggereert ook dat je een aanspreekvorm met toch een bepaalde intimiteit prijsgeeft aan de openbaarheid. En als ik mijn verhouding tot mijn vader - of pap - toch al prijsgeef aan de openbaarheid, dan overdenk ik dat graag, zoals nu dus hier.

In die aanspreekvorm sluipt iets goddelijks, iets christelijks. Jezus sprak zijn Vader aan met 'Abba', toch zoiets als pap. Daarmee benadrukte hij voor zijn volgelingen dat God niet een afstandelijke natuurkracht was, maar een intiem persoon. Jezus wilde ons dus een lesje leren. Wat vervolgens die les precies inhield, was dan weer onhelder. Wilde Jezus ons duidelijk maken dat we allemaal anders naar God moeten kijken, dat Hij pap is? Of eerder dat Jezus echt anders is dan wij allemaal, omdat hij zomaar pap durft te zeggen tegen iemand die hem toch aan het kruis liet nagelen, en het daarbij ook nog - volgens Mattheüs - liet donderen? Erg verwarrend allemaal, en tweeduizend jaar later zijn we er nog niet uit.

Daarmee heb ik opnieuw die verbinding aan de orde gesteld, de driehoek van deze blogserie. Pap en ik - als personae, wat persoon kan betekenen, maar ook masker. En waarmee ik impliciet ook een verband leg met de Griekse godsdienst (Persefone en Demeter) en de theologie van de drie-eenheid, waar de term personae van stal werd gehaald om duidelijk te maken dat God essentieel, qua essentie, in de kern, één is, maar bestaat uit drie personae, Vader, Zoon en Heilige Geest.

Is het soms wezenlijk dat het wezen der wezens, bestaat uit meer personen? Waarbij misschien zelfs dat getal drie minder wezenlijk is? Dan is er een opening naar Maria, toch lange tijd favoriet van mijn vader (/pap), de Moeder Gods, en via de term personae naar de Griekse godsdienst, met Artemis (Diana), en daarmee ook naar de vrouw die toch min of meer uitgesloten werd in de christelijke drie-eenheid. Ook weer een thema dat mijn vader ter harte ging. Je hoefde de naam Augustinus of Thomas maar te noemen, of mijn vader sprong op de kast, of haalde uit de kast het boek van Jacob Slavenburg die liet zien hoe vrouwonvriendelijk die denkers waren.

Via dit thema lost mijn startformule - mijn vader en ik - geleidelijk op in een veelheid van personae, nog zonder dat we weten wat dit is. Het ligt zelfs voor de hand, om het nog erger te maken, dat het hele onderscheid tussen essentie en personae ipso facto betekent dat we niet meer naar de essentie van de personae kunnen vragen. Tenzij misschien doordat we het onderscheid zelf centraal stellen. Het onderscheid dat in mijn startformule het meest werd vertegenwoordigd door het woordje 'en'. In het woordje 'en' ligt de hele problematiek van personae, en van de verhouding van mij tot pap, besloten.

Ach, de hele theologie draait om dit probleem, en als we Spinoza moeten geloven, ook de hele filosofie, als die draait om de formule 'God of de natuur', waarbij filosoof Agamben suggereert dat de essentie van deze formule besloten ligt in het 'of'. Ook hier kan ik weer makkelijk terugkoppelen naar mijn vader, die natuurliefhebber was, en God à la Job verwijten kon maken: hoezo, God, bent u mijn herder, en hoezo zal het mij nooit aan iets ontbreken? Het ontbreekt heel veel mensen aan heel veel! Waarbij God tegen Job of tegen mijn vader alleen kan terugmurmelen 'ja maar ik heb wel het nijlpaard gemaakt, en dat vond je toch zo'n mooi dier?'

Goed, ik heb nu ook steeds minder de neiging om pap op de positie van God de Vader neer te zetten. Ik kan wel zeggen dat hij me gemaakt heeft, maar er is toch zoiets ontstaan als een verhouding tot andere mensen, en ik denk serieus dat ik een verhouding tot mezelf heb, die niet noodzakelijk via mijn vader als mijn schepper verloopt. Deze hele blogserie was ook een poging om me van pap los te maken, om hier een daar dingetjes af te rekenen via bewustwording en zo nieuwe mogelijkheden voor mezelf op het spoor te komen.

Vandaag is de eerste dag zonder pap, zou je kunnen zeggen. 'Ik heb volbracht', zou ik met gevoel voor evangelische dramatiek kunnen zeggen, en nu kan ik eindelijk dingen doen die iets anders zijn dan de uitvoering van een taak, of het beheer van een erfenis. In het 'en' ligt zeker ook een 'zonder' besloten. Wie ben ik nu, zonder pap? Wie ben ik nu, zonder dat 'ik' dat zichzelf altijd ook als kind van zijn ouders zal blijven opvatten?

Deze blog bestaat uit terugkoppeling naar de basisformule 'mijn vader en ik'. Wat blijft ervan over, na mijn half-theologische overdenkingen? Misschien het theatrale. Gisteren heb ik uitgelegd dat de dienst bestond uit het vertellen van herinneringen, de herinnering zoals we pap graag in onze gedachten hielden. Het zijn in feite de oude 'imago's' die door de Romeinen bij een begrafenis of crematie in een stoet werden meegedragen, de portretten van voorvaderen die de basis vormen van het gezag. Gezag, auctoritas (autoriteit), van augere, vergroten of vermeerderen, het is de herinnering aan onze vaders die ervoor zorgt dat we kunnen groeien, vergroten of vermeerderen.

Maar die herinnering heeft dus ook iets theatraals. Persona betekent masker, zelfs als dat masker niet te onderscheiden is van je gezicht, als je gezicht zelf het masker is, of juist dan. Zo stonden we daar gisteren, in een performance. Na afloop zei ik tegen mijn ooms en tantes van moederskant, die verwikkeld waren en zijn in een eindeloze familieruzie: zo'n dag vertel je de mooie dingen, de ruzies en minder leuke dingen laat je ongenoemd. Ze zeiden dat ze me goed begrepen. Het gaat dus om het uiterlijk. In het uiterlijk spitst zich de verhouding toe, de verhouding tussen de personae, de verhouding als personae, de verhouding tussen pap en mij.

En zo voltrok zich een wonderlijke wending. In mijn toespraak sprak ik over pap in de derde persoon, wat op zich al - zoals gezegd - wonderlijk is. Maar in de tweede toespraak van mijn zus Mieke trad pap zelfs op als toegesprokene, volgens de stijlfiguur die in de oudheid apostrofè werd genoemd, 'afwending'. Je wendt je af van de toegesprokenen, en spreekt iemand toe die eigenlijk niet kan worden toegesproken, die niet (meer) hoort bij de adressanten. Dat roept vervolgens weer de vraag op of er een hiernamaals is, waardoor we die toegesprokene toch weer kunnen opnemen binnen de adressanten, maar nu als dode, en als teken van de twijfel over, of het geloof in, het hiernamaals.

En zo zou ik de hele dienst verder kunnen volgen, in herinnering, met de derde toespraak door Inez, waarin ze zich bereid verklaart de erfenis van mijn vader aan mij - de knipselmap - alsnog door te ploegen en daarmee mijn taak uit handen te nemen. Vervolgens de kleinkinderen die pap kunnen neerzetten in diverse rollen, zelfs als vertederend kind dat dol is op desserts. En mijn broers, die pap ten tonele voeren als een soort Phersu (elders besproken in deze serie) in een klassiek theatraal gevecht, een weddenschap die door pap gewonnen is, de race van Heerlen naar Sint-Martensvoeren op de fiets binnen vijf kwartier.

En alle aanwezigen, fysiek en online, en niet te vergeten alle doden, het groeiend aantal doden dat er ook bij was gisteren, onder wie ook 'mijn vader'. We hebben samen een fijne voorstelling neergezet, en daarmee de kern geraakt van die merkwaardige formule, mijn vader en ik als personae.



zondag 9 mei 2021

Uitgestelde toetreding

Ontsnappen is niet genoeg. Maar het kan wel helpen. Achttien is het moment waarop je geacht wordt toe te treden tot de wereld. Het valt echter samen met je ontsnapping uit een wereld waarin je niet langer hoeft te blijven.

Misschien verklaart dit waarom ik zo lang heb gedacht dat godsdienst, muziek en filosofie de wereld vertegenwoordigden waar ik toetrad. De belangrijkste oorzaak is de verwarring tussen de wereld waaraan je ontsnapt en de wereld waarnaar je ontsnapt. Die situatie kun je tientallen jaren volhouden. Alle signalen die je duidelijk maken dat deze wereld niet jouw wereld is, kun je negeren.

Nu ik voor de derde keer alweer Der Untergeher van Bernhard lees, zie ik hoe je rond je vijftigste tot de ontdekking kunt komen dat je ongelukkig wil zijn, of een andere verhouding tot het leven kunt uitproberen. Terugkijkend ben ik er goed uitgekomen. Je moet niet blijven volhouden omdat je eenmaal, lang geleden, hebt bedacht dit jouw leven en jouw wereld is. De ik-figuur denkt na over zijn vriend Wertheimer, die steeds zei dat hij ongelukkig was. De consequentie is zelfmoord.

De ik-figuur doet afstand van zijn Steinway als hij ontdekt dat hij geen Glenn Gould is. In zekere zin is dat wat ik heb gedaan met de muziek. Wat er in die muziek te halen valt is 'klavierwording', de virtuoos die samenvalt met zijn klavier. Dat heeft iets dierlijks en tegelijk iets goddelijks. Gould is een god, en vertoont geen menselijke trekjes meer. Hij kan zelfs homerisch lachen.

De formule van deze serie is het bezoek van Phersu uit de onderwereld aan de bühne, waar hij deelneemt aan het theater. 'Persona' is mogelijk afgeleid van deze Etruskische halfgod uit de onderwereld.

Mijn mogelijkheid is het verblijven in de onderwereld, het schimmige bestaan hier op de bank waar ik de dagen vergeet en wat ronddool op de jachtvelden, rond de rivieren en op de Veluwe. Zo nu en dan kom ik tevoorschijn, en neem ik deel aan het theater, de school, en via deze blogs aan het geestelijke leven.

Ik heb het nog niet helemaal helder. Maar er lijkt zoiets als een ambitie op te komen, een toekomst. En wel een die over mij gaat, die er voor mij is. In die toekomst kan ik vrede sluiten met de wereld, zodat die naar believen kan zijn zoals ze is.

≥ Davidson - Stemmen uit de eeuwige jachtvelden (1973) - Geschiedenis |  Wereld - Marktplaats.nl

dinsdag 30 maart 2021

Eindelijk onbelangrijk

In mijn leven moet er een tijd geweest zijn zonder filosofie. Goed, ik zat toen eigenlijk wel helemaal in de godsdienst. Ik was denkelijk zestien toen ik Sartre ging lezen en overging van de godsdienst naar de filosofie.

Nu zit ik in een periode waarin de filosofie zich afsluit. Filosofie was allereerst deelname aan een wereld van denkers en een lange, respectabele traditie. Die wereld kon niet zonder gesprek, dialoog, discussie. De lezer van deze serie heeft de stappen kunnen volgen van mijn weg, tot en met het isolement en wat dat met mijn vader te maken heeft. Isolement is iets dubbelzinnigs. Het maakt de weg vrij voor filosofie, maar sluit je af van het gesprek met anderen, of het registreert althans deze afsluiting.

In een brief aan een vriend heb ik het zo verwoord: filosofie is van een taak veranderd in een gewoonte. Ik blijf de rest van mijn leven haast gedachteloos dat instrument oppakken en - met iets meer bewustzijn - ik leg het weer neer. Ik zoek nu weer toegang tot mezelf als niet-filosoof.

Dat zou terugkijkend op mijn leven betekenen dat ik automatisch weer in de religie terugval. Ik herinner me nog hoe loodzwaar dat was. Ik voelde me een messias die een zeer speciale taak in deze wereld had. Van alle kanten werd die taak bevestigd: ouders, kerk, school, boeken, en vooral mijn verborgen, innerlijk leven.

Zou er nog een andere uitkomst denkbaar zijn? Is het mogelijk om uit de filosofie te stappen zonder terug te vallen in een nog zwaarder sisyfusgebeuren? Ik denk voorzichtig van wel. Nu denk ik dat iets meer helderheid over mijn jeugd me uitzicht geeft op iets anders.

De sleutel ligt opnieuw weer in het isolement. Toen ik overging van de godsdienst op de filosofie nam ik mijn verborgen, innerlijke leven mee. Pas zeer geleidelijk drong het tot me door dat ik zelf degene was de het contact met de wereld der filosofen afhield. Zeker, ik ging het contact niet uit de weg, nam deel aan groepen, instellingen en evenementen. Toen merkte ik dat er zelden of nooit een gesprek ontstond waar op eenzelfde golflengte gepraat werd op een voor mij zinvolle manier. Ik weet dat aan anderen, en pas weer veel later zag ik dat er in mijzelf iets was waardoor ik me er niet aan kon of wilde overgeven.

Innerlijk leven, isolement, negatief of positief ervaren, het is iets, of er zit daar iets, wat ik blijkbaar belangrijker vind dan de wereld waarin godsdienst of filosofie met elkaar wordt gedeeld.

Ik denk bijvoorbeeld aan mijn moeder. Zij voelde zich overbelast en niet thuis in de boerderij van haar ouders. Haar dromen gingen over de franciscanen aan de andere kant van de muur, waar een novicenklooster stond. Haar bestemming werd de stad waar franciscanen een nieuwe draai konden geven aan de godsdienst waarmee ze was opgevoed. Haar kinderen moesten die droom realiseren. Het moesten kinderen worden die zelf ook kinderen kregen en over wie ze met trots kon praten tegen moeders die met trots over hun kinderen praatten. Ik zou dokter moeten worden, liefst. Kort gezegd, de godsdienst van mijn moeder was al behoorlijk seculier, en bestond in het koesteren van een droom over kinderen.

Daarnaast denk ik aan mijn vader. Hij was opgevoed door twee eigenzinnige ouders die elkaar in de weg zaten. In de buurt heerste een priesterlijke spiritualiteit van montfortanen. Mijn vader werd een vroom mens, de vroomste van de vier broers. Vermoedelijk werd die spiritualiteit het eerste ankerpunt van zijn innerlijk leven. Dat kon hij vervolgens uitbouwen via romans in de bibliotheek en later via de spiritualiteit van mijn moeder, waarin hij zich liet meenemen. Mijn vader maakte zich minder zorgen over aanzien, hij had dat al voldoende. Als mulo-scholier belandde hij in diverse banen in een rol op de achtergrond waarin hij steeds meer werd gewaardeerd. Zo kon hij zijn kinderen vrij laten.

Zo bezien is dat innerlijke leven van mij vooral een erfenis. De filosofie paste daarbij, vooral doordat ik dacht dat ik daarmee kon ontsnappen aan de knellende, uiterlijke kanten van de religie van mijn ouders. Maar dat was, zoals ik nu beter zie, vooral een misvatting. Voor mijn ouders waren die uiterlijke kanten wel belangrijk: we moesten per se 's zondags naar de kerk. Maar daaronder lag hun innerlijke betrokkenheid, hun betrokkenheid bij hun innerlijk. In plaats van ontsnapping dus overname.

Daarnaast kreeg ik dankzij die filosofie meer kracht om de strijd met mijn vader aan te gaan. Er waren heftige discussies, bijvoorbeeld over de rol van de Amerikanen in de wereld. Mijn filosofie hielp me flink daarbij. Maar het was niet deze filosofie die me werkelijk boeide. Toen ik een paar jaar verder was, heb ik die filosofie niet meer gebruikt, ik had geen zin in discussies omdat ik daar niet kon winnen, en niets kon winnen. Ze leverden niets op.

Ik ontdekte het schrijven als mijn manier om de filosofie voor mijn karretje te spannen, al wist ik niet wat dat karretje was. Een schrijven dat bleef doorgaan ook toen bleek dat ik de openbaarheid niet echt opzocht. Ik gebruikte mijn adressant vooral als een middel om dat schrijven op gang te houden. Het kon ook een denkbeeldige adressant zijn, of, zoals in deze blogs, een half-denkbeeldige adressant. Dat is de allerbeste optie, beter dan de openbaarheid en beter dan het isolement.

Het was dus niet de filosofie waardoor ik ontsnapte. En omgekeerd: ik ben niet werkelijk ontsnapt, doordat ik niet doorzag hoe ik mede door de filosofie gebonden bleef aan zaken die me niet echt boeiden, de droom om belangrijk te worden en de discussies. Dat heeft lang, heel lang geduurd.

Als ik mijn nieuwe stap zou omschrijven, dan zou ik zeggen dat ik op het punt sta aan de erfenis van mijn ouders een nieuwe draai te geven. Terugkijkend op mijn leven zie ik dat ik altijd onbelangrijk ben geweest, in de wereld van de filosofen en in mijn werk. Het is een onbelangrijkheid die niet meer hoeft te worden gecompenseerd, bijvoorbeeld doordat mijn kinderen belangrijk moeten worden. Mijn kinderen zijn belangrijk niet omdat ze iets moeten worden, maar om wat ze zijn.

Daarnaast zie ik dat mijn schrijven lijkt op wat mijn ouders belangrijk vonden. Het lijkt op de romans die mijn vader las, van spirituele mensen die peinzen over de wereld en rechtvaardigheid. En het lijkt op de biografieën die mijn moeder me te lezen gaf, over uitvinders die hun weg zochten in die soms harde wereld, en een verhouding zochten tot hun talent. Dat talent ligt ergens tussen het innerlijk en de wereld. Je hebt het, zou Virno zeggen, en daardoor kun je er soms afstand van nemen.

Mijn talent voor filosofie wijst in twee richtingen: inschakelen om ermee te peinzen over deze wereld, en daarnaast ook: dat talent begraven als het me opzadelt met de valse droom om belangrijk te worden.

Ik ben benieuwd waar deze move me brengt. Om met Roberto Benigni te spreken: dank je, ouders, voor de armoede die jullie me gaven!

Bestand:Sartrebeauvoir.jpg

vrijdag 24 juli 2020

De moed tot isolement

Steeds dichter probeer ik bij mijn alleenzijn te komen. Tegelijk ontwijk ik het. Dat ontwijken heeft te maken met zelfbescherming. Deze blog is dus niet alleen expositie, mezelf tonen aan u, aan de buitenwereld, de wereld. Het is daarnaast ook een poging mezelf te naderen op een niet te rechtstreekse manier.

We begrijpen de kern van het zelf als iets innerlijks. We zijn een lichamelijk omhulsel van een stem die diep in ons doorgaat met spreken. Maar dat spreken neemt allerlei vormen aan. Het bevindt zich niet zozeer in ons, maar midden tussen onszelf en de wereld. Daarom is het dus ook weer niet zo raar dat ik een blog gebruik om met mezelf te praten, en al pratend mezelf te zoeken.

Mezelf zoeken doe ik om mijn mogelijkheden te verruimen. Dat ik hiervoor zo lang nodig heb gehad heeft te maken met de dominante stroom in onze cultuur. Je zelf, dat is fijn, maar het is hooguit een contractie als voorbereiding op de sprong naar buiten, reculer pour mieux sauter.

In mijn blogserie kwam ik uit bij mijn zelf langs verschillende wegen, de vriendschap, de grammatica en de muzikale overeenstemming met mezelf. Ik kwam er ook via de enigszins traumatische herinnering aan de eenzaamheid in mijn jeugd. Anderen zagen hierin een bewijs van mijn arrogantie: ik had mijn trauma overleefd en meende recht te hebben op triomfalisme en neerkijken op mijn naasten die het slechter hadden getroffen.

Zo had ik het niet bedoeld. De communicatie met mijn vrienden blijft dus moeizaam. Maar in plaats van de taal te veroordelen als ongeschikt communicatiemiddel kan ik beter vertrouwen op de taal en kijken waarheen ze me brengt. Zoals ik het nu zie helpt mijn isolement me evenzeer om bij mezelf te komen als dat ik het als last ervaar. Misschien is de tijd rijp om hierin kracht en mogelijkheden te zien. Misschien is mijn schrijven een manier om mezelf moed in te spreken, geen oppepperij maar registratie van mijn moed om het isolement meer te waarderen.

In mijn blogserie zocht ik de tijd dat ik achttien was als drempel. Maar misschien was ik nog teveel bezig met mijn toekomst, niet alleen hoe alles gelopen is maar ook hoe het had kunnen lopen. De drempel zou ik meer kunnen zien als tweerichtingverkeer. Via de drempel kan ik contact maken met mijn jeugd waarin ik in direct contact stond met mijn isolement. Ik kruip weer weg in mijn kleine slaapkamer, achter mijn orgel en in mijn vochtige kelder. Die hele tussentijd tussen toen en nu leidt me uiteindelijk naar mijn zelf achter mijn masker, het onzekere en uiterst kwetsbare zelf.

Als mijn intuïtie me niet bedriegt, kan ik de wereld inclusief alle mensen erin, inclusief alle lomperikken, beter zien als helpers en richtingwijzers. Ze wijzen me naar dat gebied waar ik vooral uit wilde vluchten, maar dat me zoveel te bieden heeft. Ik zou die mensen, inclusief die lomperikken, moeten bedanken.

Dit is een blog die ik niet verspreid via facebook en mail. Het is lang geleden dat ik zoiets aandurfde. Hier gebruik ik de semi-openbaarheid om mezelf iets te vertellen wat ik in een dagboek niet zou hebben gekund, niet gedurfd. Nog niet.

Laat ik niet vergeten dat ik in deze blogserie steeds het gesprek met mijn vader zoek, of liever de overdenking van mijn relatie tot mijn vader. Hij is nu dement, en heeft in zijn verpleeghuis alleen op afstand met ons kunnen communiceren. Nu we hem weer mochten bezoeken was hij heel blij. Die blijdschap zie ik als een teken van geluk dat voortkomt uit isolement. Het leven is onder die omstandigheden niet makkelijk, maar in zekere zin helpt het wel om het leven juist wel weer simpeler te zien. Het is niet nodig om al communicerend verder te komen. Je kunt ook gewoon blij zijn, je ijsje eten en weer teruggebracht worden naar je kamer.