zaterdag 20 december 2025

In de naam van mijn vader Jozef - Bij het lezen van Thomas Mann

Een naam kun je tot op zekere hoogte als persona beschouwen, in de gebruikelijke zin, als masker waaraan je een rol of identiteit kunt aflezen. Het is wel een bijzonder masker, of hij zegt iets bijzonders over het masker wat er altijd al in zat, omdat de naam wordt gegeven terwijl je nog niemand bent. Daarmee suggereer je dus eigenlijk dat je wel al iemand bent, want je hebt al een naam.

Mijn vader heette Leonardus Josephus Simons. Ik moest dit jaar aan die eerste naam denken toen de nieuwe paus zijn naam koos. Mijn vader keerde zich tegen de pausen omdat ze de morele vooruitgang tegenhielden, met name het priesterschap voor vrouwen. Wel heb ik hem positief horen praten over de encycliek Rerum novarum ('Revolutie'), en die kwam eind negentiende eeuw van paus Leo XIII, over de noodzaak iets te doen aan de slechte omstandigheden van arbeiders.

Zijn tweede naam Josephus had waarschijnlijk te maken met een familielid naar wie hij vernoemd moest worden. Josephus is ook de patroonheilige van de gezinnen, en mijn vader zou later zijn naam eer aandoen door zich buiten zijn werk bovengemiddeld aan zijn gezin te wijden. Je zou ook kunnen zeggen dat de naam Josephus mijn vader eer aandeed, alleen was het nog even wachten tot de tijd er rijp voor was. De naam Jozef heeft de bijklank van een sukkel, die moet accepteren dat zijn vrouw zwanger is, maar niet van hem. Zoiets speelde nauwelijks bij mijn ouders, ook al was mijn moeder een tijdje verliefd op een priester.

Ik lees nu weer een roman van Thomas Mann, wat zeg ik, het zijn er vier, Joseph und seine Brüder, een serie waaraan Mann zo'n zestien jaar heeft geschreven. De aanleiding is weer eens een tip van Eric Bolle. Maar het past ook wel mooi bij die kerststallen, waar de nieuwtestamentische Jozef braaf op de achtergrond staat te kijken naar de vrouw met baby die de aandacht trekt.

In een lange aanloop bij Mann gaat het lang over de vader van de oudtestamentische Jozef, Jaakob. Hij gaat op de vlucht nadat hij door het plan van zijn moeder door misleiding de zegen heeft ontfutseld aan zijn vader Izaak, en op de vlucht moet voor zijn tweelingbroer Ezau die de zegen al was beloofd. Ja, het is allemaal niet fraai wat er gebeurt in die Bijbel, en mijn vader vertrouwde dat Oude Testament voor geen meter. Hoe dan ook, Jaakob komt terecht bij zijn oom Laban in het verre oosten, en gaat voor hem als veehouder werken. Hij wil graag de knappe dochter van Laban huwen, Rachel. Complicatie is dat zij niet de oudste is, en dat de minder knappe Lea moet worden gepasseerd. Laban speelt het spel fair maar hard, Jaakob moet maar liefst zeven jaar zijn werk doen om Rachel te verdienen, maar dan krijgt hij Lea er gratis bij.

Dan komt het zinnetje dat me te denken gaf: 'Puur wachten is marteling.' Reines Warten ist Folterqual. Het trof me omdat het wel klopt. Als je zeven jaar lang denkt aan de beloning, dan duurt dat te lang. Een truuk die Jaakob inzet is dat die periode door het getal zeven suggereert dat het om zeven dagen gaat. Maar het verschil is domweg te groot, de truuk helpt niet. Ik kan het weten, want ik moet nu drieënhalf jaar wachten op mijn pensioen, en heb maar besloten om - hoewel ik ook eerder kon stoppen - toch maar wat te blijven werken. In een prachtige innerlijke monoloog bedenkt Jaakob iets geniaals. Eigenlijk, zegt hij, is het maar goed dat het zo lang duurt, want dan ga je aan het werk en vergeet je dat je wacht. Een halfuur wachten kan een ergere marteling zijn dan zeven jaar. Maar eigenlijk is het ook weer goed dat hij werkt als herder. Tijdenlang hoeft hij niets te doen, zodat hij toch weer kan wachten. Wachten wordt zo de 'grondbas' van zijn leven. (Hoe het verdergaat weet ik nog niet, maar mijn schrijven is wellicht ook zoiets, ik kan niet wachten tot ik de romans uit heb, en dood de tijd alvast met schrijven erover. Corrigeren kan altijd nog.)

Ik vermoed wel dat die zeven jaren op een of andere manier vooruitwijzen, zoals ook in de Bijbel, naar de zeven vette en zeven magere jaren van de droom van de farao, die Jozef weet uit te leggen. Je moet in de vette jaren sparen voor de magere jaren. Die hele Bijbel blijkt zo een handboek voor het kapitalisme. Hoe kun je de steun van God zo gebruiken dat je er het meest op verdient?

En zo kon mijn vader doordat hij handig was met rekenen en belastingen al met pensioen toen hij zestig was, en hield hij er een flink bedrag aan over. Meer dan zijn zwager die hoogleraar was, met zijn dikke huis met zwembad in Zuid-Frankrijk. Zo'n sukkel is die Jozef dus ook weer niet.

In de romans van Mann speelt zeker ook de identiteit. De strijd tussen Jaakob en Ezau herhaalt de strijd tussen Kaïn en Abel, en later komt Jozef ook in conflict met zijn broers. Zo kunnen we de geschiedenis beleven als een oneindige groei naar het verleden, wat er gebeurt heeft al ontelbare keren plaatsgevonden. Op mijn manier zal ik dus ook een Jaakob of Jozef zijn.

Wat me nu te binnen schiet is een herinnering van toen ik tien was. Ik leed aan een messiascomplex, ik dacht dat ik een heel bijzondere roeping had in deze wereld. Dat kon ik maar beter verborgen houden, want ik voelde wel aan dat mensen daar niet begripvol op zouden reageren. Het zal zeker verklaren waarom ik me nu nog liefst gedeisd houd, om niet voor arrogant te worden versleten. Met mijn broers heb ik inmiddels wel weer een prima verstandhouding overigens. En altijd kan de roep klinken om in actie te komen, zoals bij mijn werk op school waar ik steeds meer taken en uren krijg (en ook salaris) vanwege mijn ernstig zieke collega.

Dat messiascomplex past helemaal bij Jozef, die droomde dat zijn broers als knipmessen voor hem bogen. Eigenlijk wel bijzonder hoe begripvol die broers op hem reageren. Ze willen hem eerst doden, besluiten daarna dat ze hem in een kuil gooien, en daarna weer om hem te verkopen aan een langstrekkende karavaan. Die blijkt overigens van de nakomelingen van Ismael te komen, die door Abraham was verjaagd. God schakelt die vervloekte en verjaagde broers steeds weer in om Zijn uitverkorenen, die hun uitverkiezing niet verdiend hadden, te redden.

Hallelujah.

Esau, Mighty Hunter - GoodSalt
Ezau en Jacob

zondag 14 december 2025

Een Amerikaan in huis halen - Stillwater

We halen graag Amerikanen in huis. 's Avonds kijk ik graag een film, de films die op tv komen en die ik dan later in stukjes terugkijk. Zo kunnen we die massieve Amerikanen stukje bij beetje verorberen. Het is zeker gemakzucht wat meespeelt. We eten wat ons wordt voorgezet, en ze zetten ons dat voor omdat ze verwachten dat we dat eten.

Mijn vader kreeg ook een echte Amerikaan op bezoek, de soldaat Walter Baetzel met zijn vrouw, een paar decennia nadat hij in de oorlog bij mijn vader was ingekwartierd. Ik was nog klein, maar heb een vage herinnering dat ik de slaapkamer van mijn ouders inliep waar Baetzel met zijn vrouw lag, in het bed van mijn ouders. Later schreven ze nog brieven, met foto's. Hun dochter mocht met een mooi pakje aan meedoen met een optocht voor de president, daar in Wisconsin. En mogelijk ligt er nog iets van die briefwisseling bij de geërfde stapels van mijn vader. Toch eens een keer naar kijken.

De film die ik deze week terugkeek was Stillwater, van Tom McCarthy uit 2021. De Amerikaan die in huis gehaald wordt is Matt Damon (what's in a name). Hij is het type Trumpstemmer, met houthakkersbloes en cap. Zijn dochter was ooit bij haar ouders vertrokken naar Marseille om daar te studeren. Daar werd ze beschuldigd van moord en belandde in de gevangenis. Moeder pleegt zelfmoord, vader gaat naar Marseille om in de buurt van zijn dochter te zijn en om haar vrij te krijgen. Hij komt in contact met een Franse vrouw en haar dochter van negen. Ze halen hem in huis.

Het is wel praktisch. zo'n Amerikaan in huis, ruwe bolster blanke pit. De vrouw kan naar haar drukke werk en de Amerikaan kan de dochter van school halen. De film had zich nu rustig kunnen ontwikkelen zoals ook al die films van Amerikanen die naar Italië gaan. Ze zitten met zichzelf in de knoop en ontdooien door de mediterrane, levensvriendelijke sfeer van de Italianen, met hun sociale dingen, hun familie, hun eten en hun taal. Deels gaat de film ook wel in die richting. Maar de dochter van demon Matt kent haar vader een beetje, en ziet weer bevestigd dat hij fucks up everything. En helaas heeft zij dat weer van hem geërfd, ze is toch weer minder onschuldig dan we eerst dachten.

En zo worden we stukje bij beetje zelf verorberd. Leek het erop dat de aandacht verschoof naar die leuke Franse vrouw met haar geweldige dochter, naar het einde toe gaan we zien hoe alles blijft draaien om de Amerikaan. Dat hele Franse leven blijft maar een vage achtergrond, we zien wat korte losse fragmentjes, zo ongeveer als Matt het zag. Filmisch is daar iets voor te zeggen. Zo'n zwijgzame man, en het draait om zijn innerlijk, zijn ziel, het drama dat wordt gesuggereerd en uitgespeeld.

Maar het is een Amerikaan, een Trump-Amerikaan. Ze moeten ons niet meer, en we moeten nu zelf ook iets met onze aandacht voor die Amerikaan die we in huis halen. Waarom doen we dat, waarom hebben we dat altijd al gedaan? Gebruiken we de ogen van die Amerikaan om naar onszelf te kijken, om Europeaan te kunnen zijn? Dan helpt die Amerikaan ons niet echt, want aan het eind staat hij met zijn dochter in de armen, verenigd in hun spijt dat ze alles upfucken. En daarom naar de horizon kijken, richting west, in wezen, op hun patio in die luie stoel.

In deze blog ben ik weer hetzelfde aan het doen, ik dacht dat ik alles aan het verorberen was, maar ik zie nu hoe ik word verorberd. Interessant woord trouwens, verorberen. Heeft het iets met orbis te maken, de kring die bij de Romeinen de aanduiding was voor de wereld? Objectief is hier geen grond voor, maar een associatie kan zo zijn eigen leven leiden. Urbi et orbi, de zegen van de paus, tegenwoordig ook al een Amerikaan die we in huis hebben gehaald. We laten ons verorberen, ik laat me verorberen, misschien om ergens te verdwijnen. Misschien schakelen we de Amerikanen in om ons te verlossen van dat knellende gevoel dat we iets te doen hebben, hier, in deze wereld.

De voorlopige conclusie is dat we de Amerikanen in huis halen om ons voor te bereiden op de slaap, de dood. En wel als uitweg, als bevrijding. We hebben Amerikanen nodig die de boel opfucken, voor zichzelf en voor ons. Daarvoor sturen we onze Mark Rutte die kant op, en halen we Trump met alle égards naar Den Haag. Niet om ons te bevrijden, maar om alles op te fucken. Er moet iets in ons zijn wat daarnaar verlangt, naar die Demon.

Stillwater': Film Review | Cannes 2021

zaterdag 13 september 2025

Onze montfortaanse inslag

Nadenkend over mijn verhouding tot de cultuur (ja) verwondert me mijn ontzag. Waarom domineert die ervaring, terwijl ik op school leerde om kind van mijn tijd te zijn, dat wil zeggen modern en kritisch? Zeg ik kind, dan kom ik al gauw uit bij mijn ouders. Mijn moeder kwam van het land, wat in haar geval geen platteland was, in de heuvels, en omdat haar boerderij het novicenklooster van de franciscanen flankeerde. Vrolijkheid, armoede, relativering, niet per se ontzag dus. Dat moet ik meer bij mijn vader zoeken.

Hij vertelde me soms over de spiritualiteit die bij hem thuis domineerde, en te maken had met de montfortanen. Die orde is voor mij altijd raadselachtig gebleven, maar tegelijk ook vertrouwd. Een vluchtige kijk op wiki leert me dat de montfortanen vanaf hun ontstaan bezig waren met missionering, en wel van het platteland. Priester Montfort (1673-1716) richtte ook al vroeg het 'Gezelschap van Maria' op, wat ik in mijn jeugd terugzie in de Mariagrot in de tuin van mijn grootouders, waar mijn vader de letters Ave Maria schilderde. Later verlegde de orde zijn activiteiten naar Nyassaland, het latere Malawi. Daar werkten in mijn jeugd missionarissen die mijn vader kende, en die zijn zussen bezochten. Wij kregen tamtamtrommeltjes en speertjes die tante Ans meenam. Op zolder staan nog dia's van haar reizen.

Mijn vader had een klasgenoot die veruit de beste van de klas was, Huub Swertz, die in de orde intrad, en opgeleid werd in België. Later werkte hij in Borneo aan missionering. Voor deze vriend had mijn vader veel ontzag. Geleidelijk kreeg ik het idee dat de spiritualiteit van deze orde erg priesterlijk was, vanwege dat ontzag voor priester Huub. Maar mijn kleine onderzoekje leert me dat ik het breder moet zien. Het is de missionering die vooropstaat, gekoppeld aan de Mariaverering. Zo kon de orde bij haar ontstaan de Vendée vrijhouden van ketterij, zegt wiki, waarbij je vooral moet denken aan het Franse protestantisme (jansenisme).

Om mijn vader - en zo mezelf - beter te kunnen plaatsen volstaat deze erg katholieke invloed niet. Hij had ook een protestantse inslag, met zijn plichtsgevoel en moraal van goede bedoelingen. De montfortanen mogen dan de Vendée hebben gered, mijn vader hebben ze dus niet helemaal kunnen redden.

Terugkijkend op mijn leven moet ik het beeld van mezelf als kritisch filosoof herzien. Dat was bij nader inzien vooral een strategie om me van mijn vader te onderscheiden. Daaronder school het ontzag voor intelligente mensen en voor de cultuur. Dat wil ik graag overbrengen op anderen, en zo ben ik uiteindelijk beland in het onderwijs. Onderwijs is in de kern missionering, het enthousiasmeren van anderen om ze weerbaarder te maken voor foute invloeden.

Terugdenkend aan mijn tamtamtrommeltje kan ik nu een verband leggen met mijn eindeloze filosofische uitweidingen over het muziekinstrument. Het was een symbool voor opvoeding en enthousiasmering zoals Aristoteles dat ooit bedoelde, maar van nu af aan met een montfortaanse kleuring. Waar het bij Aristoteles vooral draait om socialisering, de invoeging in de polis, zie ik bij de montfortanen en mijn vader meer weerstand en verzet. Ik lees op wiki dat priester Montfort op verschillende plekken, zoals een opvanghuis voor bedelaars, in conflict raakte met de leiding en vertrok. Zo is mijn vader ook geleidelijk vertrokken uit de hele katholieke kerk, en ik uit de academie.

Afrikaanse trommel van hout met dierenhuid en gezicht - Bodour

 

donderdag 17 juli 2025

Verschijning van God

Het is al vaker gebleken hier, ik ben mijn vader. Lange tijd dacht ik nog dat ik mezelf zocht via mijn vader. Dat was ook best logisch. Dat verhaal van DNA enzo. Maar er waren ook steeds al aanwijzingen dat het veel verder ging dan dat. Neem alleen al die titel, die me ook maar is komen aanwaaien, 'personae'. Maskers. Ja, maar ik viel alweer lang geleden voor die merkwaardige etymologie van Phersu, de Etruskische halfgod die bij lijkenspelen optrad. Ineens verschijnt er die halfgod. Dat was mijn vader. Hij was geen masker, hij was een acteur zonder masker.

Ik lees nu ergens over theofanie. We denken over een god vaak als iets onbereikbaars, of iets doods. Dat kan zijn, maar ook als onbereikbare en als dode kun je nog verschijnen. Voor een god maakt dat niet uit. Kijk maar hier, wat is deze blog anders dan taal die voortvloeit uit de verschijning van mijn vader, die dus misschien wel teruggaat op de verschijning van die halfgod. Hij fascineert ons, we blijven ernaar kijken, en in die blik, lees ik bij mijn filosofen, is er geen subject en object. Zien en gezien vallen samen in het mysterie, het tremendum et fascinosum, zoals theoloog Rudolf Otto (1869-1937) de ervaring van het heilige typeerde. Vreeswekkend en fascinerend.  

Kleine complicatie is dat mijn vader niet hield van Latijn. 'Geen woord Latijn', stond er in zijn instructies voor de uitvaart, waarbij hij aantekende dat ik die moest leiden, en wetende dat ik lesgeef in het vak Latijn. Nu zaten daar geen kwade bedoelingen achter, want kwade bedoelingen waren mijn vader vreemd. Het ergerlijke was juist dat zijn bedoelingen altijd goed waren, zodat je hem nooit ergens op kon aanspreken. Maar omdat ik nu eenmaal getraind ben in het zoeken naar betekenissen in teksten, roept de tegenspraak in mij de reactie op om er een gedachte of wat aan te wijden.

De makkelijke oplossing is om mijn vader zozeer te vereenzelvigen met mijn Etruskische halfgod, dat ik hem zichzelf laat redden uit de Romeinse verdrukking en verdringing van de Etruskische cultuur. Dat zou te makkelijk zijn, omdat het Latijn door mijn vader niet werd geassocieerd met de Romeinen, maar met de conservatieve katholieke kerk. En die kun je ook weer niet zomaar identificeren met de Romeinen. Er zitten ongetwijfeld Etruskische elementen in de katholieke kerk, die ongetwijfeld weer anders zijn dan de verdrongen Etruskische elementen bij de Romeinen. Je ziet, het wordt al gauw te gecompliceerd en nietszeggend.

Nee, ik denk dat het verbod van mijn vader op een bepaalde manier de ervaring van het heilige illustreert die ik hierboven theofanie noemde, de verschijnende god. Het mag dan zijn dat die verschijning vreeswekkend en fascinerend is, we zijn tegelijk ook mensen en willen graag weten waar we het over hebben. Zo las ik de volgende uitspraak van onze Otto:

'De goden zijn geen personificaties. Er is in werkelijkheid geen 'personificatie', maar alleen een ontpersonificatie, zoals er ook geen 'mythenvorming' is, maar alleen ontmythologisering; en zoals het, naar het betekenisvolle woord van Schelling, zinloos is om te vragen hoe de mens bij God kan zijn gekomen, terwijl er alleen gevraagd kan worden hoe hij zich van God heeft kunnen verwijderen.'

Met andere woorden, dingen zoals mythes, taal en goden verzin je niet, je bent er altijd al in, ze bestonden er altijd al. Tegelijk zien we hoe we ons verwijderen van al deze zaken, hoe we ze brengen tot hun grenzen, in de ontplooiing van de rationaliteit. Dat zie ik weerspiegeld in het Latijnverbod van mijn katholieke vader, waarmee hij overeenkwam met de protestantse lijn van Otto (hij was protestant). Liturgie moet gebeuren in de volkstaal, niet omdat het Nederlands zo mooi is, maar omdat we elkaar moeten kunnen verstaan.

Ik kom nu tot de toch wel opmerkelijke conclusie dat ik mijn vader van nu af anders moet gaan bekijken. Niet als de persoonlijkheid die hij leek te zijn, en die ik zo graag in hem wilde zien, maar als mijn voorganger in het proces van ontpersonificatie. In essentie betekent dit dat we de wereld zien als verschijning van goden, als theofanie. We zien mensen, dieren, natuur. De plaats waar mijn vader dit als geheel kon aanschouwen was de kerk. Maar toen hij zag hoe die kerk groepen hiervan afzonderde, via hiërarchie, verbod van priesterwijding voor vrouwen, begon hij zich langzaam los te maken van die kerk, de 'Latijnse' kerk.

Ik denk aan Teilhard de Chardin (1881-1955), die de evolutie wilde verenigen met de scheppingstheologie. Dat vond mijn vader fascinerend. Het gaf hem de basis om zelfs oorlogen en ruzies te relativeren. 'Het kan zijn dat liefde niet in onze generatie overwint', zei hij, 'maar het kan altijd over lange tijd gebeuren, als we generaties verder zijn.' Het verklaart zeker ook de fascinatie van mijn vader voor encyclopedische vormen van wetenschap, waarover ik het eerder al had (zie hier). De interesse van mijn vader voor wetenschap was oppervlakkig, maar je zou juist die oppervlakkigheid beter kunnen begrijpen vanuit de theofanie. Het was vooral de fascinatie die hij koesterde, niet zozeer de nieuwsgierigheid of de strengheid van methode.

Zo verschijnt langzaam de natuur. Niet de natuur van de elementen waarmee we strijden, en ook niet de natuur van de natuurwetenschappen. Het is het beeld van de natuur, de natuur zoals die aan ons verschijnt, bij autoritjes of wanneer we kijken naar de Tour de France ('Kiek doa, doa geet der geale trui!). Of de natuur van bepaalde mythes en plaatsen. Overal doken voor hem beelden op, geesten van overledenen, die meestal vluchtig bleven, kwamen en gingen. Nog toen hij al half dement was bleef hij wegjes en huizen aanwijzen waar die en die gewoond had. Eerder namen dan personen, zijn manier om de natuur te ontpersonificeren.

Door over mijn vader te schrijven, begin ik nu te begrijpen, ontpersonificeer ik mezelf, ik word een ander, de ander die ik altijd al was maar graag wilde verdringen, omdat ik dacht dat ik zelf een persoon moest worden. Ik heb me nu ingeleefd in een stukje theorie van Rudolf Otto, mijn vader binnen de kaders van die theorie gebracht, en beoefen daarmee op mijn manier theorie, dat wil zeggen beschouwing, het zien waarin het geziene samenvalt met degene die ziet, en waarin ze allebei opgaan. Voor alle duidelijkheid: daar is geen woord Latijn bij, theoria is een Grieks woord, en op zijn manier heeft mijn vader dat begrepen.

Rudolf Otto

 

  


zondag 18 mei 2025

Waar een fake-identiteit goed voor is

Dat ik zo graag over mijn vader schrijf zegt iets over mezelf, vast wel. Zo kan ik lekker hangen aan de identiteit van iemand zonder al te veel te hoeven nadenken wie ik zelf eigenlijk ben, ikzelf als een ander. En tegelijk kan ik opgaan in de enorme menigte schrijvers die over hun vader schrijven, met de illusie dat we een bijzonder individu zijn.

'I always thought it would be better to be a fake somebody than a real nobody', zegt Tom Ripley in de film die we gisteravond hebben gekeken. Ik weet niet zeker of ik dit kan onderschrijven, een werkelijke niemand lijkt me een minstens zo aantrekkelijke optie. Maar die is moeilijk haalbaar. Je zit altijd wel ergens in een sociaal leven en bent dus iemand. Cabaretier Hans Dorrestijn verwoordde het zo: Ïk heb nooit in Carré opgetreden. Maar als je veertig jaar in het hele land optreedt en Carré niet haalt, dan bén je iemand.'

Ben je eenmaal in het spel van illusies en paradoxen, dan opent dat misschien ook weer zicht op andere kanten, in dit geval van mijn vader. Hij was nogal eendimensionaal, een man die werd geacht door collega's, vrienden en familie, hij wás iemand. Had hij daarnaast of daaronder ook nog een verborgen, zwartere kant? Daar kan ik me vooralsnog weinig bij voorstellen. Wel was hij voor mij en vooral ook voor mijn broers het symbool van burgerlijkheid. Alles stond en viel met de goede bedoelingen, wat onze irritatie opriep, en niet te rijmen viel met de kwaadaardige samenleving die verantwoordelijk was voor Vietnam, om maar wat te noemen.

In deze serie verken ik die andere kant van mijn vader door hem neer te zetten als Phersu, de Etruskische halfgod die als acteur optrad bij lijkenspelen. Het is de theatrale kant van mijn vaders karakter, de blufferige, opschepperige manier waarop hij stellingen naar voren schoof. Vergeeflijk en zelfs grappig, tenzij je zijn zoon was, die tussen zijn lange betogen zocht naar ademruimte.

Zoals eerder gezegd, ik ben bang dat ik deze eigenschap heb overgenomen, wat verklaart dat ik zeker bij mijn broers zoveel irritatie opwek. We houden onze vader in ere. Wat meteen de vraag oproept of er niet iets in mij is dat deze donkerdere kant opzoekt. Deze blogs getuigen daar misschien nog meer van dan mijn wandelingen met mijn broers. Hier heeft werkelijk niemand ademruimte, hooguit in de ruimte hieronder om te reageren.

Het opzoeken van de donkere kant, lees ik in een beschouwing over Patricia Highsmith, de schrijfster van het boek achter de Ripley-film, zien we gebeuren als een twist van de misdaadroman. Grofweg gezegd was de ongeschreven wet dat er altijd een goed mens temidden van de slechte mensen moest lopen, met goede bedoelingen maar ook met de macht om de misdadigers aan te pakken. Met Tom Ripley verandert dat. Hij grijpt de kans om een goede daad te verrichten, een verloren zoon uit Italië terug te halen naar zijn vader in Amerika. In dit avontuur ontpopt Ripley zich tot een parasiet, hij neemt het rijke leven van de zoon over, doodt hem en krijgt er zodoende een nog spannender, intenser leven bij. De film moet wel eindigen in Venetië, de stad van de vergane glorie en macht, en van het gemaskerde feest, de stad waarop de toeristen allemaal als parasieten teren.

Het werkelijke drama is misschien niet dat er mensen bestaan met een fake-leven, dat ten koste gaat van hun ware identiteit en ten koste van anderen. Dat zou nog een Nietzscheaans leven zijn, waarin je 'wordt wie je bent', een leven waarin je je overgeeft aan de schijn en eindelijk je leven weet te affirmeren. Daarachter gaat het drama schuil van de massa, die door Nietzsche zo verafschuwd werd, maar toch ook wel weer omhelsd met zijn ode aan het dionysische. Met onze fake-identiteit treden we tot de massa die uitstekend weet te leven met al die fake-identiteiten. Op deze manier kunnen we niemand worden, het niemand van iedereen.

Ik zie nog een andere gestalte van mijn vader, als administrateur op de mijn, waar hij werkte bij de salarisadministratie. Op weer een andere manier een Phersu, op de plek waar de hele dag mijnwerkers de onderwereld in gingen en weer naar boven kwamen. Administratie is zeker ook wat ik doe. Niet alleen als docent met mijn cijfers, ook in deze blogs hier. Er komen elke dag dingen langs, ervaringen, boeken, films. Er moet over geschreven worden, ze moeten worden bijgehouden. Zo werken mijn vader en ik onze taak af zodat we niemand kunnen zijn. Het bedrag staat, het vinkje is gezet, we kunnen nu rustig opgaan in het niets, de vrijheid.

Dagjesmensen betalen vanaf 2023 voor toegang Venetië - NRC

 

zaterdag 26 april 2025

Persoonlijkheid en slaap

Wat is een persoon? Mijn vader, dat was een persoon. Hij had persoonlijkheid, in die zin was hij een persoon. Hij had présence, als hij ergens was, dan was hij er ook, merkbaar. In mijn leven is hij waarschijnlijk een factor geweest van mijn neiging tot existentialisme. Dat is een filosofische stroming, maar die hangt zeker wel samen, zoals gememoreerd in eerdere blogs in deze serie, met de invloed van religieuze motieven, die na de Verlichting veelal in de literatuur hun weg vonden, via de genius en via de romantische personages van bijvoorbeeld Dostojevski (zie deze blog).

Ik had als kind al bewondering voor die sterke persoonlijkheden, Beethoven en later Sartre. Die waren in staat om ideeën en stemmingen van hun tijd aan te voelen en weer te geven in werken die indruk maakten. Ze hadden ook hun zwaktes en onvergeeflijkheden, maar die vergaf je hun, omdat het minder om die werken ging maar over henzelf als persoon.

Later, tot ver in mijn volwassenheid, ontstond er zoiets als een Oedipouscomplex. Ik reisde als student van Utrecht naar mijn ouders in Heerlen. Graag wilde ik eens uitgebreid met mijn moeder praten. Maar dan was er altijd mijn vader die mijn aandacht trok, of opeiste, mijn moeder verdween naar de keuken of praatte met mijn vriendin. In de gesprekken met mijn vader hield ik me op de vlakte of ging ik de strijd aan, wat in beide gevallen vervelend voelde. Mijn vader was de wachter voor de wet, mijn moeder was voor mij de wet, door belangstelling te tonen voor mij gaf ze me het idee dat ik ook een persoonlijkheid kon zijn.

Uiteindelijk werd ik zoals eigenlijk de meeste mensen iets ertussenin. Je wil graag een persoon worden, maar het klikt niet altijd tussen jou en de wereld, en je belandt in een ruimte waar je elkaar het licht gunt, leven en laten leven. Er waren momenten dat je graag een stempel had gedrukt op die wereld, of meer weerstand had geboden aan de verleidingen, maar alles bij elkaar genomen ben je blij dat je ergens een plek hebt in die wereld. De ene keer ben je blij dat je het vege lijf hebt gered, de andere keer ben je verwonderd dat jou zoveel gegeven werd, alsof je dat verdiend had. Persoonlijkheid is zodoende getransformeerd tot een soort misverstand, een beeld dat soms opduikt, bijvoorbeeld als leerlingen iets complimenteus over jou en je collega's moeten schrijven omdat hun mentor dat een leuk idee leek.

Dat ik nog steeds gefascineerd ben door de personae, de betekenis van persoonlijkheid, kan ik dus terugvoeren op mijn ouders en een bredere ideeëngeschiedenis. Inmiddels zijn we in die ideeën weer wat verder. Persoonlijkheid, zo herinner ik me, is een thema dat vooral in Oost-Europa en Rusland werd geclaimd om zich af te zetten tegen het 'positivisme', de koude, 'protestantse' wereld waar het mysterie werd uitgebannen. Het is een achterhoedegevecht in mijn ogen, omdat de ideeënstrijd allang niet meer wordt gevoerd over wetenschap versus mysterie, maar over beelden die we koesteren, beelden die in hoog tempo via de media worden rondgeslingerd en waarmee we ons graag omringen.

Mijn fascinatie voor persoonlijkheid beschouw ik dus niet als iets persoonlijks, eerder als een symptoom van onze wereld waarin we ons graag laten betoveren en fascineren voor wat dan ook. In die fascinatie kunnen we verdwijnen, kunnen we ons ontdoen van de vervelende bijeffecten van het persoon zijn. Zoals ik het in de vorige blog van deze serie verwoordde: het is beter om niemand te zijn, dat maakt je minder kwetsbaar in een hardvochtige wereld.

De denkers bij wie ik al vele jaren aansluiting zoek, met name Agamben en Benjamin, hebben het soms over slaap (bijvoorbeeld in deze blog). Slapen is een belangrijk thema dat overal opduikt als je er eenmaal op let. Het lijkt een raar thema in een tijd waarin alles voortdurend vraagt om alertheid, waakzaamheid, aandacht, concentratie, en wat steeds uitloopt op afleiding, verstrooiing, slapeloosheid. Slapen lijkt een daad waarin je het contact met de wereld verbreekt, een voorschot neemt op de dood als absolute rust. Maar in werkelijkheid is slapen het centrum van ons leven, het uitrusten van alle werk en het opladen voor nieuw werk. Zonder slapen geen werk. Slapen staat voor dromen en transformatie.

Pas laat in mijn leven ging ik zien hoe mijn ouders altijd verlangden naar slaap. Mijn moeder leed aan slapeloosheid, en verlangde zo naar slaap dat ze al om acht uur op de bank voor de tv lag te knikkebollen. Mijn vader zei me in de jaren voordat hij dement werd dat hij het in slaap vallen het mooiste moment van de dag vond. Het moet een verlangen zijn geweest dat allang in hem school, dat lag te slapen en langzaam in hem ontwaakte.

Misschien kunnen we anders kijken naar persoonlijkheid vanuit de slaap. Het nadeel van persoonlijkheden is dat ze verklonken zijn met het beeld dat we van hen hebben, wat ze willen uitstralen en wat we graag willen terugzien. In die zin is de persoonlijkheid niet het teken dat je contact zoekt met de wereld, maar dat je je eruit terugtrekt, het is een manier - een paradoxale manier - om naar slaap te verlangen, dus naar rust, transformatie, dromen en wakker worden.

Falling asleep with the TV on could bring early death: study

 

maandag 7 april 2025

Mijn vader komt op

Ik heb altijd iemand die voor me opkomt. Altijd gehad ook. Mijn vader ondernam meteen actie als ik gepest werd op straat. Hij liep naar die jongen toe, met mij achter zich aan, twee drie straten verder, Dreke Kroes of Jo Frijns, en sprak hen streng toe.

Toen ik het moeilijk had op de universiteit kwam ik terecht bij een soort therapeute daar, die al gauw ontdekte waar mijn kansen lagen. Ik moest iemand naast me hebben die het iets makkelijker vindt om voor dingen op te komen, voor zichzelf, maar dus ook voor mij. Ik schaam me er een beetje voor, maar dat hoeft dus niet. Mijn angst is niet per se lafheid. Het is meer iets van ontdek jezelf, ken jezelf, en waar dus je kansen liggen.

Deze blogserie draait om mijn vader, mijn vader als een soort Phersu, de halfgod van de jacht bij de Etrusken, die al in de Latijnse vlakte woonden voor de Romeinen. Phersu trad naar verluidt op bij lijkenspelen, hij kwam uit de onderwereld naar boven om ons zijn kunsten te vertonen. De term persona (masker) is misschien van de naam Phersu afgeleid (zie hier). Phersu komt op, dat wil zeggen hij treedt op. Misschien in een andere zin dan waarin mijn vader voor mij opkwam, tegen mijn pesters optrad. Maar misschien ook niet. We zien graag een halfgod optreden, in de vorm van bijvoorbeeld Tom Cruise, een schim op het doek die de vuile karweitjes voor ons opknapt, maar tegelijk schim blijft, hij komt op vanuit de onderwereld.

In de Volkskrant stond een boeiend essay van Geertjan de Vugt. Hij schuift de oude held Odysseus naar voren, vooral de Odysseus van de listen. Hij zegt tegen de wrede cycloop dat hij Niemand heet. Dat zal hem met zijn makkers uiteindelijk redden van de dood. Als ze de grot uit vluchten roept de cycloop zijn makkers, hij roept dat Niemand hem verwond heeft. De Vugt vindt dit meesterlijk. Je kunt beter niemand zijn dan iemand. En al helemaal als je bedreigd wordt, of gepest. Pesters zijn zo vervelend omdat je in hun ogen iemand bent, ze maken iemand van je. Deze gedachte herken ik uit het boek van Agamben over Auschwitz (lees eventueel deze blog). De Italiaanse student die door de SS'er wordt aangesproken schaamt zich, de SS'er brengt hem op huiveringwekkende wijze in contact met zijn identiteit.

Mijn vader was duidelijk iemand. Op straat herkende hij altijd mensen, en die herkenden hem. Daarom kon hij ook optreden. Misschien is het onbedoelde gevolg daarvan wel dat zijn kinderen het des te moeilijker hebben gevonden om iemand te worden, om op te treden. Mijn broer gebruikt in dit verband de term assertiviteit. Misschien vinden we het zo moeilijk om voor onszelf op te komen omdat we altijd onze vader hadden die het voor ons opknapte.

Niet dat dit hielp, overigens. Mijn pesters riepen naar mijn vader: 'Hé kleine, hé kale!' Ze waren met meer. Bovendien kon mijn vader niet altijd met me meelopen. Wel heb ik misschien al snel doorgehad dat ik - hoe dan ook, geholpen of niet - beter niemand kon zijn dan iemand. Dat is natuurlijk ook zo mooi aan die term persona. Met een masker kun je doen of je iemand bent, maar in werkelijkheid verstop je je, en ben je veilig.

Toch zitten er in die term persona, achter dat masker, vast nog verborgen verrassingen. In deze blog zoek ik die opnieuw bij mijn vader. Hij was zich er als geen ander van bewust dat de macht die voor jou opkomt jou niet altijd helpt, meestal niet, of zelfs wel nooit. Dat besef kwam bij hem naar boven als psalm 23 werd gezongen, bijvoorbeeld in het klooster waar ik een keer een weekend met hem doorbracht: 'Mijn herder is de Heer, nooit zal het mij iets ontbreken.' 'Hoe kunnen ze dat nou zeggen,' zei mijn vader dan boos, 'het ontbreekt me heel vaak aan dingen!!' Voor hem was dit zonneklaar.

Voor mij ligt hier wel een mysterie, een mysterie dat te maken moet hebben met mijn diepste zelf, mijn identiteit of persona. Hoe kon mijn vader zo gelovig zijn, geloven dat de liefde ooit zou overwinnen in deze wereld, en tegelijk zo boos worden op God? Ik denk dat hij de tegenspraak wilde oplossen met zijn geloof in het handelen, het goede doen. Ik zie hem als een Kantiaan die de plicht heilig verklaarde en vond dat hij zich altijd moest inzetten. Ik kan daar uiteraard niet in geloven, het zou erop neerkomen dat je Dreke Kroes of Jo Frijns alsnog laat stoppen met pesten, en doordat je dat gelooft neem je voor lief dat ze 'kale!' naar je blijven roepen, je doet of je het niet hoort, en je zoontje zie je ook al niet meer staan. Je hebt je best gedaan en dat is blijkbaar wat voor mijn vader telde.

Op een of andere manier komen we steeds weer terug bij Odysseus, toch op zijn manier een soort Phersu. Hij bezoekt de onderwereld om bij de overleden ziener Teiresias aanwijzingen te krijgen over zijn route naar Ithaca. We moeten vertrouwen hebben in de schimmen, de bleke stemmen van de overledenen en de halfgoden die voor ons opduiken. Wij doen dat op een andere manier dan Odysseus, we lezen romans, we kijken films. We lezen over Odysseus of verwachten iets van de films over Odysseus. Odysseus is niet iemand, hij is niemand.

Odysseus praat graag en veel. Dat deed mijn vader ook. En ik ook. We zijn soms in staat om maskers op te zetten. Zo imiteer ik wel eens vrienden die heel kort en suggestief kunnen formuleren. Dat doe ik dan ook, en dan zijn ze tevreden dat ik zo direct ben. Zo wordt het spel gespeeld. Heel even ben je veilig.

The history of filibustering, before Cory Booker's speech : NPR
Cory Booker speecht 25 uur