Soms lijkt het of een gordijn alles samenhoudt. De problematiek heeft slechts zijdelings te maken met mijn vader, alhoewel ook weer niet helemaal niet. Hij was het die ooit die LP kocht van de oneman show van Toon Hermans, die wij kinderen vol verwondering opzetten. Toon Hermans, toch de komiek van het gordijn, en in die zin alleen al een persona, een toneelmasker dat openlaat hoe je verweven kunt zijn met het onzichtbare, het mysterie.
Voor wie het niet (meer) weet, Toon kon de hele tijd naar dat gordijn staan turen en daar zo'n beetje over staan filosoferen. Maar dan weer zo dat je ofwel in een deuk lag, of je ging verwonderen over Toon, dat hij dit deed, ofwel dat je je ging verwonderen over de mensen die zich over zoiets konden verwonderen, of erom konden lachen. De persona verspreidde zich kortom over alles en iedereen, het gordijn dat voor alles hing was ineens zelf wat. Met als klap op de vuurpijl dat bijzondere aspect dat wij dat gordijn niet eens zagen. Het was die LP, we hoorden wat gelach of gepraat, of helemaal niks.
Gisteren dook het gordijn op bij het programma Binnenstebuiten (geniale titel) waar Valentijn een rijk oud huis in Haastrecht uitlegde. Je dacht bij de entree dat het neoclassicistisch was, maar het gordijn verraadde de negentiende eeuw. Zo, die zat. Het gordijn brengt iets aan, interpreteer ik maar even, van golving en zachtheid in de wat harde, verticale, koude structuren. In een binnenvertrek werd het nog nadrukkelijker. Het gordijn hing voor de deur en was volgens Valentijn bedoeld om die deur aan het zicht te onttrekken. Je kunt blijkbaar alleen echt gezellig met elkaar verkeren zolang er geen deur is, of zolang die deur er schijnbaar niet is.
En zojuist dook die deur dan weer op in de roman Satanstango van Krasznahorkai (nobelprijs ja), waardoor we ook het gordijn misschien weer anders begrijpen. Hij heeft het over wanhoop 'over het feit dat achter de dingen koppig andere dingen opdoken en dat ze boven de horizon niet meer met elkaar samenhingen. Ze waren als een voor altijd opengelaten deur, een slot dat nooit meer openging. Een spleet, een kier.' (p.107) We vergeten dan alweer bijna dat de verteller het heeft over de 'polskloppingen van de oktobernacht', met regen en golvingen, kloppingen, die deze wanhoop moesten versluieren. Ik zou dat wel een gordijn durven noemen. Ik laat nog in het midden of je die hele roman van Krasznahorkai kunt opvatten als zo'n gordijn, met zijn kloppende, golvende zinnen.
Als de dingen boven de horizon niet meer met elkaar samenhangen, ben je al gauw geneigd je blik omlaag te richten, naar de aarde en het onderaardse. Mijn vader werkte, laten we dat niet vergeten, bovengronds, maar moest de salarissen administreren van de mijnwerkers en daar moest de opbrengst vandaan komen waarmee we ons konden verwarmen en naar die LP luisteren. Na de mijnsluiting stelde mijn vader zich in dienst van de Stichting Samenlevingsopbouw, die je wat mij betreft gerust mag opvatten als een gordijn in het verpulverende Oostelijke Mijnstreek. Steeds zijn er mensen die er bijvoorbeeld zorgen voor zorg, voor enorme muurschilderingen. Er is wel wanhoop, maar mijn vader zei dat je nooit bij de pakken moest neerzitten.