donderdag 23 september 2021

Het uiterlijk van de personae - Nabeschouwing bij de uitvaart

Mijn vader en ik, daarover gaat deze blogserie Personae, die ik zo'n negen jaar geleden startte. In die vier woorden, mijn vader en ik, zit veel betekenis. Mijn vader, dat is de man die me een paar jaar geleden noemde in zijn instructies, waarin hij zei dat ik zijn uitvaart moest leiden. Die taak heb ik gisteren uitgevoerd. Mijn vader is vorige week overleden en gisteren heb ik de uitvaartdienst in crematorium Heerlen geleid. Daarnaast speelt mijn vader een grote rol in mijn leven, en dat hoef ik natuurlijk niet uit te leggen, wat dat is bij iedereen altijd zo.

Maar de vier woorden roepen ook vragen op. Hoezo 'mijn' vader? Was hij mijn bezit? Als we dan toch in termen van bezit moeten praten (liever niet overigens), dan was ik eerder zijn bezit dan hij het mijne. Vandaar dat ik gisterochtend nog snel een paar zinnetjes uit mijn toespraak haalde waarin ik sprak in termen van 'voorrecht' en dat ik trots was op 'mijn' vader. Ik herinner me dat ik als klein kind over een muurtje liep, en dat mijn vader achter me liep. Ik dacht: zou mijn vader trots op me zijn? Zie je, ik dacht toen al dus eerder in termen van bezit in de zin van ik van mijn vader.

Je zou - zoals ik gisteren - dat 'mijn vader' kunnen vervangen door 'pap'. Dat kan uitstekend bij een bijeenkomst, zoals gisteren in het crematorium, waar we met vrienden en familie bij elkaar zaten. Maar het suggereert ook dat je een aanspreekvorm met toch een bepaalde intimiteit prijsgeeft aan de openbaarheid. En als ik mijn verhouding tot mijn vader - of pap - toch al prijsgeef aan de openbaarheid, dan overdenk ik dat graag, zoals nu dus hier.

In die aanspreekvorm sluipt iets goddelijks, iets christelijks. Jezus sprak zijn Vader aan met 'Abba', toch zoiets als pap. Daarmee benadrukte hij voor zijn volgelingen dat God niet een afstandelijke natuurkracht was, maar een intiem persoon. Jezus wilde ons dus een lesje leren. Wat vervolgens die les precies inhield, was dan weer onhelder. Wilde Jezus ons duidelijk maken dat we allemaal anders naar God moeten kijken, dat Hij pap is? Of eerder dat Jezus echt anders is dan wij allemaal, omdat hij zomaar pap durft te zeggen tegen iemand die hem toch aan het kruis liet nagelen, en het daarbij ook nog - volgens Mattheüs - liet donderen? Erg verwarrend allemaal, en tweeduizend jaar later zijn we er nog niet uit.

Daarmee heb ik opnieuw die verbinding aan de orde gesteld, de driehoek van deze blogserie. Pap en ik - als personae, wat persoon kan betekenen, maar ook masker. En waarmee ik impliciet ook een verband leg met de Griekse godsdienst (Persefone en Demeter) en de theologie van de drie-eenheid, waar de term personae van stal werd gehaald om duidelijk te maken dat God essentieel, qua essentie, in de kern, één is, maar bestaat uit drie personae, Vader, Zoon en Heilige Geest.

Is het soms wezenlijk dat het wezen der wezens, bestaat uit meer personen? Waarbij misschien zelfs dat getal drie minder wezenlijk is? Dan is er een opening naar Maria, toch lange tijd favoriet van mijn vader (/pap), de Moeder Gods, en via de term personae naar de Griekse godsdienst, met Artemis (Diana), en daarmee ook naar de vrouw die toch min of meer uitgesloten werd in de christelijke drie-eenheid. Ook weer een thema dat mijn vader ter harte ging. Je hoefde de naam Augustinus of Thomas maar te noemen, of mijn vader sprong op de kast, of haalde uit de kast het boek van Jacob Slavenburg die liet zien hoe vrouwonvriendelijk die denkers waren.

Via dit thema lost mijn startformule - mijn vader en ik - geleidelijk op in een veelheid van personae, nog zonder dat we weten wat dit is. Het ligt zelfs voor de hand, om het nog erger te maken, dat het hele onderscheid tussen essentie en personae ipso facto betekent dat we niet meer naar de essentie van de personae kunnen vragen. Tenzij misschien doordat we het onderscheid zelf centraal stellen. Het onderscheid dat in mijn startformule het meest werd vertegenwoordigd door het woordje 'en'. In het woordje 'en' ligt de hele problematiek van personae, en van de verhouding van mij tot pap, besloten.

Ach, de hele theologie draait om dit probleem, en als we Spinoza moeten geloven, ook de hele filosofie, als die draait om de formule 'God of de natuur', waarbij filosoof Agamben suggereert dat de essentie van deze formule besloten ligt in het 'of'. Ook hier kan ik weer makkelijk terugkoppelen naar mijn vader, die natuurliefhebber was, en God à la Job verwijten kon maken: hoezo, God, bent u mijn herder, en hoezo zal het mij nooit aan iets ontbreken? Het ontbreekt heel veel mensen aan heel veel! Waarbij God tegen Job of tegen mijn vader alleen kan terugmurmelen 'ja maar ik heb wel het nijlpaard gemaakt, en dat vond je toch zo'n mooi dier?'

Goed, ik heb nu ook steeds minder de neiging om pap op de positie van God de Vader neer te zetten. Ik kan wel zeggen dat hij me gemaakt heeft, maar er is toch zoiets ontstaan als een verhouding tot andere mensen, en ik denk serieus dat ik een verhouding tot mezelf heb, die niet noodzakelijk via mijn vader als mijn schepper verloopt. Deze hele blogserie was ook een poging om me van pap los te maken, om hier een daar dingetjes af te rekenen via bewustwording en zo nieuwe mogelijkheden voor mezelf op het spoor te komen.

Vandaag is de eerste dag zonder pap, zou je kunnen zeggen. 'Ik heb volbracht', zou ik met gevoel voor evangelische dramatiek kunnen zeggen, en nu kan ik eindelijk dingen doen die iets anders zijn dan de uitvoering van een taak, of het beheer van een erfenis. In het 'en' ligt zeker ook een 'zonder' besloten. Wie ben ik nu, zonder pap? Wie ben ik nu, zonder dat 'ik' dat zichzelf altijd ook als kind van zijn ouders zal blijven opvatten?

Deze blog bestaat uit terugkoppeling naar de basisformule 'mijn vader en ik'. Wat blijft ervan over, na mijn half-theologische overdenkingen? Misschien het theatrale. Gisteren heb ik uitgelegd dat de dienst bestond uit het vertellen van herinneringen, de herinnering zoals we pap graag in onze gedachten hielden. Het zijn in feite de oude 'imago's' die door de Romeinen bij een begrafenis of crematie in een stoet werden meegedragen, de portretten van voorvaderen die de basis vormen van het gezag. Gezag, auctoritas (autoriteit), van augere, vergroten of vermeerderen, het is de herinnering aan onze vaders die ervoor zorgt dat we kunnen groeien, vergroten of vermeerderen.

Maar die herinnering heeft dus ook iets theatraals. Persona betekent masker, zelfs als dat masker niet te onderscheiden is van je gezicht, als je gezicht zelf het masker is, of juist dan. Zo stonden we daar gisteren, in een performance. Na afloop zei ik tegen mijn ooms en tantes van moederskant, die verwikkeld waren en zijn in een eindeloze familieruzie: zo'n dag vertel je de mooie dingen, de ruzies en minder leuke dingen laat je ongenoemd. Ze zeiden dat ze me goed begrepen. Het gaat dus om het uiterlijk. In het uiterlijk spitst zich de verhouding toe, de verhouding tussen de personae, de verhouding als personae, de verhouding tussen pap en mij.

En zo voltrok zich een wonderlijke wending. In mijn toespraak sprak ik over pap in de derde persoon, wat op zich al - zoals gezegd - wonderlijk is. Maar in de tweede toespraak van mijn zus Mieke trad pap zelfs op als toegesprokene, volgens de stijlfiguur die in de oudheid apostrofè werd genoemd, 'afwending'. Je wendt je af van de toegesprokenen, en spreekt iemand toe die eigenlijk niet kan worden toegesproken, die niet (meer) hoort bij de adressanten. Dat roept vervolgens weer de vraag op of er een hiernamaals is, waardoor we die toegesprokene toch weer kunnen opnemen binnen de adressanten, maar nu als dode, en als teken van de twijfel over, of het geloof in, het hiernamaals.

En zo zou ik de hele dienst verder kunnen volgen, in herinnering, met de derde toespraak door Inez, waarin ze zich bereid verklaart de erfenis van mijn vader aan mij - de knipselmap - alsnog door te ploegen en daarmee mijn taak uit handen te nemen. Vervolgens de kleinkinderen die pap kunnen neerzetten in diverse rollen, zelfs als vertederend kind dat dol is op desserts. En mijn broers, die pap ten tonele voeren als een soort Phersu (elders besproken in deze serie) in een klassiek theatraal gevecht, een weddenschap die door pap gewonnen is, de race van Heerlen naar Sint-Martensvoeren op de fiets binnen vijf kwartier.

En alle aanwezigen, fysiek en online, en niet te vergeten alle doden, het groeiend aantal doden dat er ook bij was gisteren, onder wie ook 'mijn vader'. We hebben samen een fijne voorstelling neergezet, en daarmee de kern geraakt van die merkwaardige formule, mijn vader en ik als personae.



zondag 9 mei 2021

Uitgestelde toetreding

Ontsnappen is niet genoeg. Maar het kan wel helpen. Achttien is het moment waarop je geacht wordt toe te treden tot de wereld. Het valt echter samen met je ontsnapping uit een wereld waarin je niet langer hoeft te blijven.

Misschien verklaart dit waarom ik zo lang heb gedacht dat godsdienst, muziek en filosofie de wereld vertegenwoordigden waar ik toetrad. De belangrijkste oorzaak is de verwarring tussen de wereld waaraan je ontsnapt en de wereld waarnaar je ontsnapt. Die situatie kun je tientallen jaren volhouden. Alle signalen die je duidelijk maken dat deze wereld niet jouw wereld is, kun je negeren.

Nu ik voor de derde keer alweer Der Untergeher van Bernhard lees, zie ik hoe je rond je vijftigste tot de ontdekking kunt komen dat je ongelukkig wil zijn, of een andere verhouding tot het leven kunt uitproberen. Terugkijkend ben ik er goed uitgekomen. Je moet niet blijven volhouden omdat je eenmaal, lang geleden, hebt bedacht dit jouw leven en jouw wereld is. De ik-figuur denkt na over zijn vriend Wertheimer, die steeds zei dat hij ongelukkig was. De consequentie is zelfmoord.

De ik-figuur doet afstand van zijn Steinway als hij ontdekt dat hij geen Glenn Gould is. In zekere zin is dat wat ik heb gedaan met de muziek. Wat er in die muziek te halen valt is 'klavierwording', de virtuoos die samenvalt met zijn klavier. Dat heeft iets dierlijks en tegelijk iets goddelijks. Gould is een god, en vertoont geen menselijke trekjes meer. Hij kan zelfs homerisch lachen.

De formule van deze serie is het bezoek van Phersu uit de onderwereld aan de bühne, waar hij deelneemt aan het theater. 'Persona' is mogelijk afgeleid van deze Etruskische halfgod uit de onderwereld.

Mijn mogelijkheid is het verblijven in de onderwereld, het schimmige bestaan hier op de bank waar ik de dagen vergeet en wat ronddool op de jachtvelden, rond de rivieren en op de Veluwe. Zo nu en dan kom ik tevoorschijn, en neem ik deel aan het theater, de school, en via deze blogs aan het geestelijke leven.

Ik heb het nog niet helemaal helder. Maar er lijkt zoiets als een ambitie op te komen, een toekomst. En wel een die over mij gaat, die er voor mij is. In die toekomst kan ik vrede sluiten met de wereld, zodat die naar believen kan zijn zoals ze is.

≥ Davidson - Stemmen uit de eeuwige jachtvelden (1973) - Geschiedenis |  Wereld - Marktplaats.nl

dinsdag 30 maart 2021

Eindelijk onbelangrijk

In mijn leven moet er een tijd geweest zijn zonder filosofie. Goed, ik zat toen eigenlijk wel helemaal in de godsdienst. Ik was denkelijk zestien toen ik Sartre ging lezen en overging van de godsdienst naar de filosofie.

Nu zit ik in een periode waarin de filosofie zich afsluit. Filosofie was allereerst deelname aan een wereld van denkers en een lange, respectabele traditie. Die wereld kon niet zonder gesprek, dialoog, discussie. De lezer van deze serie heeft de stappen kunnen volgen van mijn weg, tot en met het isolement en wat dat met mijn vader te maken heeft. Isolement is iets dubbelzinnigs. Het maakt de weg vrij voor filosofie, maar sluit je af van het gesprek met anderen, of het registreert althans deze afsluiting.

In een brief aan een vriend heb ik het zo verwoord: filosofie is van een taak veranderd in een gewoonte. Ik blijf de rest van mijn leven haast gedachteloos dat instrument oppakken en - met iets meer bewustzijn - ik leg het weer neer. Ik zoek nu weer toegang tot mezelf als niet-filosoof.

Dat zou terugkijkend op mijn leven betekenen dat ik automatisch weer in de religie terugval. Ik herinner me nog hoe loodzwaar dat was. Ik voelde me een messias die een zeer speciale taak in deze wereld had. Van alle kanten werd die taak bevestigd: ouders, kerk, school, boeken, en vooral mijn verborgen, innerlijk leven.

Zou er nog een andere uitkomst denkbaar zijn? Is het mogelijk om uit de filosofie te stappen zonder terug te vallen in een nog zwaarder sisyfusgebeuren? Ik denk voorzichtig van wel. Nu denk ik dat iets meer helderheid over mijn jeugd me uitzicht geeft op iets anders.

De sleutel ligt opnieuw weer in het isolement. Toen ik overging van de godsdienst op de filosofie nam ik mijn verborgen, innerlijke leven mee. Pas zeer geleidelijk drong het tot me door dat ik zelf degene was de het contact met de wereld der filosofen afhield. Zeker, ik ging het contact niet uit de weg, nam deel aan groepen, instellingen en evenementen. Toen merkte ik dat er zelden of nooit een gesprek ontstond waar op eenzelfde golflengte gepraat werd op een voor mij zinvolle manier. Ik weet dat aan anderen, en pas weer veel later zag ik dat er in mijzelf iets was waardoor ik me er niet aan kon of wilde overgeven.

Innerlijk leven, isolement, negatief of positief ervaren, het is iets, of er zit daar iets, wat ik blijkbaar belangrijker vind dan de wereld waarin godsdienst of filosofie met elkaar wordt gedeeld.

Ik denk bijvoorbeeld aan mijn moeder. Zij voelde zich overbelast en niet thuis in de boerderij van haar ouders. Haar dromen gingen over de franciscanen aan de andere kant van de muur, waar een novicenklooster stond. Haar bestemming werd de stad waar franciscanen een nieuwe draai konden geven aan de godsdienst waarmee ze was opgevoed. Haar kinderen moesten die droom realiseren. Het moesten kinderen worden die zelf ook kinderen kregen en over wie ze met trots kon praten tegen moeders die met trots over hun kinderen praatten. Ik zou dokter moeten worden, liefst. Kort gezegd, de godsdienst van mijn moeder was al behoorlijk seculier, en bestond in het koesteren van een droom over kinderen.

Daarnaast denk ik aan mijn vader. Hij was opgevoed door twee eigenzinnige ouders die elkaar in de weg zaten. In de buurt heerste een priesterlijke spiritualiteit van montfortanen. Mijn vader werd een vroom mens, de vroomste van de vier broers. Vermoedelijk werd die spiritualiteit het eerste ankerpunt van zijn innerlijk leven. Dat kon hij vervolgens uitbouwen via romans in de bibliotheek en later via de spiritualiteit van mijn moeder, waarin hij zich liet meenemen. Mijn vader maakte zich minder zorgen over aanzien, hij had dat al voldoende. Als mulo-scholier belandde hij in diverse banen in een rol op de achtergrond waarin hij steeds meer werd gewaardeerd. Zo kon hij zijn kinderen vrij laten.

Zo bezien is dat innerlijke leven van mij vooral een erfenis. De filosofie paste daarbij, vooral doordat ik dacht dat ik daarmee kon ontsnappen aan de knellende, uiterlijke kanten van de religie van mijn ouders. Maar dat was, zoals ik nu beter zie, vooral een misvatting. Voor mijn ouders waren die uiterlijke kanten wel belangrijk: we moesten per se 's zondags naar de kerk. Maar daaronder lag hun innerlijke betrokkenheid, hun betrokkenheid bij hun innerlijk. In plaats van ontsnapping dus overname.

Daarnaast kreeg ik dankzij die filosofie meer kracht om de strijd met mijn vader aan te gaan. Er waren heftige discussies, bijvoorbeeld over de rol van de Amerikanen in de wereld. Mijn filosofie hielp me flink daarbij. Maar het was niet deze filosofie die me werkelijk boeide. Toen ik een paar jaar verder was, heb ik die filosofie niet meer gebruikt, ik had geen zin in discussies omdat ik daar niet kon winnen, en niets kon winnen. Ze leverden niets op.

Ik ontdekte het schrijven als mijn manier om de filosofie voor mijn karretje te spannen, al wist ik niet wat dat karretje was. Een schrijven dat bleef doorgaan ook toen bleek dat ik de openbaarheid niet echt opzocht. Ik gebruikte mijn adressant vooral als een middel om dat schrijven op gang te houden. Het kon ook een denkbeeldige adressant zijn, of, zoals in deze blogs, een half-denkbeeldige adressant. Dat is de allerbeste optie, beter dan de openbaarheid en beter dan het isolement.

Het was dus niet de filosofie waardoor ik ontsnapte. En omgekeerd: ik ben niet werkelijk ontsnapt, doordat ik niet doorzag hoe ik mede door de filosofie gebonden bleef aan zaken die me niet echt boeiden, de droom om belangrijk te worden en de discussies. Dat heeft lang, heel lang geduurd.

Als ik mijn nieuwe stap zou omschrijven, dan zou ik zeggen dat ik op het punt sta aan de erfenis van mijn ouders een nieuwe draai te geven. Terugkijkend op mijn leven zie ik dat ik altijd onbelangrijk ben geweest, in de wereld van de filosofen en in mijn werk. Het is een onbelangrijkheid die niet meer hoeft te worden gecompenseerd, bijvoorbeeld doordat mijn kinderen belangrijk moeten worden. Mijn kinderen zijn belangrijk niet omdat ze iets moeten worden, maar om wat ze zijn.

Daarnaast zie ik dat mijn schrijven lijkt op wat mijn ouders belangrijk vonden. Het lijkt op de romans die mijn vader las, van spirituele mensen die peinzen over de wereld en rechtvaardigheid. En het lijkt op de biografieën die mijn moeder me te lezen gaf, over uitvinders die hun weg zochten in die soms harde wereld, en een verhouding zochten tot hun talent. Dat talent ligt ergens tussen het innerlijk en de wereld. Je hebt het, zou Virno zeggen, en daardoor kun je er soms afstand van nemen.

Mijn talent voor filosofie wijst in twee richtingen: inschakelen om ermee te peinzen over deze wereld, en daarnaast ook: dat talent begraven als het me opzadelt met de valse droom om belangrijk te worden.

Ik ben benieuwd waar deze move me brengt. Om met Roberto Benigni te spreken: dank je, ouders, voor de armoede die jullie me gaven!

Bestand:Sartrebeauvoir.jpg

vrijdag 24 juli 2020

De moed tot isolement

Steeds dichter probeer ik bij mijn alleenzijn te komen. Tegelijk ontwijk ik het. Dat ontwijken heeft te maken met zelfbescherming. Deze blog is dus niet alleen expositie, mezelf tonen aan u, aan de buitenwereld, de wereld. Het is daarnaast ook een poging mezelf te naderen op een niet te rechtstreekse manier.

We begrijpen de kern van het zelf als iets innerlijks. We zijn een lichamelijk omhulsel van een stem die diep in ons doorgaat met spreken. Maar dat spreken neemt allerlei vormen aan. Het bevindt zich niet zozeer in ons, maar midden tussen onszelf en de wereld. Daarom is het dus ook weer niet zo raar dat ik een blog gebruik om met mezelf te praten, en al pratend mezelf te zoeken.

Mezelf zoeken doe ik om mijn mogelijkheden te verruimen. Dat ik hiervoor zo lang nodig heb gehad heeft te maken met de dominante stroom in onze cultuur. Je zelf, dat is fijn, maar het is hooguit een contractie als voorbereiding op de sprong naar buiten, reculer pour mieux sauter.

In mijn blogserie kwam ik uit bij mijn zelf langs verschillende wegen, de vriendschap, de grammatica en de muzikale overeenstemming met mezelf. Ik kwam er ook via de enigszins traumatische herinnering aan de eenzaamheid in mijn jeugd. Anderen zagen hierin een bewijs van mijn arrogantie: ik had mijn trauma overleefd en meende recht te hebben op triomfalisme en neerkijken op mijn naasten die het slechter hadden getroffen.

Zo had ik het niet bedoeld. De communicatie met mijn vrienden blijft dus moeizaam. Maar in plaats van de taal te veroordelen als ongeschikt communicatiemiddel kan ik beter vertrouwen op de taal en kijken waarheen ze me brengt. Zoals ik het nu zie helpt mijn isolement me evenzeer om bij mezelf te komen als dat ik het als last ervaar. Misschien is de tijd rijp om hierin kracht en mogelijkheden te zien. Misschien is mijn schrijven een manier om mezelf moed in te spreken, geen oppepperij maar registratie van mijn moed om het isolement meer te waarderen.

In mijn blogserie zocht ik de tijd dat ik achttien was als drempel. Maar misschien was ik nog teveel bezig met mijn toekomst, niet alleen hoe alles gelopen is maar ook hoe het had kunnen lopen. De drempel zou ik meer kunnen zien als tweerichtingverkeer. Via de drempel kan ik contact maken met mijn jeugd waarin ik in direct contact stond met mijn isolement. Ik kruip weer weg in mijn kleine slaapkamer, achter mijn orgel en in mijn vochtige kelder. Die hele tussentijd tussen toen en nu leidt me uiteindelijk naar mijn zelf achter mijn masker, het onzekere en uiterst kwetsbare zelf.

Als mijn intuïtie me niet bedriegt, kan ik de wereld inclusief alle mensen erin, inclusief alle lomperikken, beter zien als helpers en richtingwijzers. Ze wijzen me naar dat gebied waar ik vooral uit wilde vluchten, maar dat me zoveel te bieden heeft. Ik zou die mensen, inclusief die lomperikken, moeten bedanken.

Dit is een blog die ik niet verspreid via facebook en mail. Het is lang geleden dat ik zoiets aandurfde. Hier gebruik ik de semi-openbaarheid om mezelf iets te vertellen wat ik in een dagboek niet zou hebben gekund, niet gedurfd. Nog niet.

Laat ik niet vergeten dat ik in deze blogserie steeds het gesprek met mijn vader zoek, of liever de overdenking van mijn relatie tot mijn vader. Hij is nu dement, en heeft in zijn verpleeghuis alleen op afstand met ons kunnen communiceren. Nu we hem weer mochten bezoeken was hij heel blij. Die blijdschap zie ik als een teken van geluk dat voortkomt uit isolement. Het leven is onder die omstandigheden niet makkelijk, maar in zekere zin helpt het wel om het leven juist wel weer simpeler te zien. Het is niet nodig om al communicerend verder te komen. Je kunt ook gewoon blij zijn, je ijsje eten en weer teruggebracht worden naar je kamer.


dinsdag 4 februari 2020

Weer niet gelukt

Mijn blogs zijn misleidend. Als een lezer er al op reageert, zegt zhij dat het moeilijk, zo niet onmogelijk is om op mijn blogs te reageren. Mijn blogs nodigen niet uit tot reacties.

Vaak gaan mijn blogs over kunst, of over filosofie. Zeker bij een kunstwerk hebben mensen nogal de neiging om erop te reageren met zwijgen. Ook vaak met oordelen. Maar dat is niet ons ding. Oordelen moet je met een korreltje zout nemen, ook al lukt dat niet, en nemen we ze graag serieus. Liever hebben we respect voor het kunstwerk of gedicht.

Een beschouwing over een kunstwerk zou ons bijvoorbeeld iets kunnen verhelderen, of ze zou ons dat kunstwerk aantrekkelijk moeten maken, zodat we zin krijgen om naar dat museum te gaan, of dat boek te lezen. De beschouwing wist zichzelf uit, het is de bedoeling dat de volgende zet aan de lezer of kijker is, die het kunstwerk gaat bekijken.

Pas misleidend wordt het wanneer de schrijver het podium betreedt met een persona, een masker. hij doet alsof hij het kunstwerk beschouwt, en uitnodigt tot het gesprek of de zwijgende beschouwing van het besproken kunstwerk. In plaats daarvan hebben sommige filosofen, onder wie ook ik, de neiging om iets te schrijven wat volgt op het kunstwerk, en wel zodanig dat het niet uitnodigt tot een gesprek of reactie. Dat is hoe je het ook bekijkt toch een vorm van misleiding.

Vermenging van genres is één ding. Dat maakt het verkopen van een boek of kunstwerk lastig. Het kunstwerk wordt onbetrouwbaar. De lezer verwacht iets, betaalt voor iets, maar wordt vervolgens wel teleurgesteld. Nog erger wordt het wanneer de lezer niet eens betaalt, en als vrijwilliger de moeite neemt om je tekst te lezen. Er beweegt iets voor zijn ogen, en het komt weer tot stilstand.

Dan wordt de lezer vertrouwelijk. Zhij vertelt me dat ik misschien had verwacht dat mijn blog zou worden gelezen, of dat iemand erop zou reageren, of erop reagerend zou ingaan op wat ik probeerde te zeggen. In plaats daarvan zegt iemand dat mijn blog mooi is, of dat het meandert, of dat ik op een bepaald punt toch echt moet worden gecorrigeerd. Had ik iets anders verwacht dan? Kan een verrader verwachten dat de ander hem vertrouwt?

De ander zwijgt, het is kennelijk vooral dat zwijgen waartoe ik heb uitgelokt. Een adequatere reactie is haast onmogelijk. Ik wilde ook zwijgen toen ik dat gedicht las, dat boek las of die film bekeek. In plaats daarvan ben ik gaan schrijven. De lezer voelt aan dat ik eigenlijk had willen zwijgen, maar daartoe niet in staat was. De lezer neemt het over van mij. Zhij zwijgt in plaats van mij. Ik schrijf in plaats van te zwijgen.

Afbeeldingsresultaat voor magritte silence"

vrijdag 13 december 2019

Grafrede voor lokaal 117


Avete omnes presentes, dank dat u hier bent en met mij afscheid wil nemen van lokaal 117.
Het is passend dat we de juiste dingen doen en zeggen zodat de overgang van het leven naar de dood goed verloopt. Daarom verzoek ik u om niet te klappen en andere uitingen te doen die niet passen bij verdriet en rouw.

Doen we dat niet goed, dan overkomt het lokaal wat ook Polydorus overkwam. Hij werd door Achilles overhoop gestoken en lag ergens onbegraven. Aeneas ziet dat er bloed uit de grond komt als hij mirtestruiken uit de grond probeert te trekken, en wordt toegesproken door de onbegraven Polydorus:
‘Aeneas, waarom vermink je een ongelukkige? Spaar toch
een dode, besmet je onschuldige handen niet met een misdrijf!
Ik ben óók een Trojaan, dit bloed stroomt niet uit de takken.
Vlucht uit dit wrede gebied, ontvlucht de hebzuchtige kuststrook:
ik ben Polydorus! Hier heeft een gewas van ijzeren lansen
mij doorboord en bedekt met de groei van puntige spiesen.’
Aanwezigen, u begrijpt het al. Lokaal 117 zal evengoed als Polydorus worden doorboord met ijzeren lansen en bedekt met puntige spiesen. Dat zal zeker gebeuren. Maar waar het op aankomt is of wij in staat zijn het lokaal alsnog een waardige begrafenis te geven, zoals ook Aeneas met Polydorus heeft gedaan.

Aeneas noemt het land Thracië misdadig omdat de koning Polydorus had vermoord in plaats van hem gastvrijheid te bieden. Ik zou zeggen: laat dit een waarschuwing zijn voor elke school die het gymnasium geen lokaal gunt, die het gymnasium niet de gastvrijheid biedt die de school verplicht is. Polydorus was namelijk bedreigd in zijn vaderland Troje. Hij sloeg met een goudvoorraad op de vlucht en hoopte op de gastvrijheid van de Thracische koning.

In mijn toespraak ben ik al begonnen met een van de grootste problemen van de retorica, te weten de prosopopoeia, onder gymnasiumleerlingen beter bekend als de stijlfiguur personificatie. Laat ik de beroemde leraar der retorici Quintilianus (100 na Christus) citeren: ‘Daarom denk ik dat niets moeilijker is dan de prosopopoeia.’ (III.8.49) Wat is het dat deze figuur zo moeilijk maakt? Quintilianus beschouwt de prosopopoeia als het spelen van een rol. De spreker moet een rol spelen, zoals in mijn geval die van een Romeinse redenaar die een Romeins ritueel voltrekt. Quintilianus lost dit probleem op doordat we de opdracht aanpassen aan het karakter van de spreker. Ik moet dus twee dingen tegelijk doen, een rol spelen en die rol aanpassen aan mijn karakter. Daarbij komt in dit geval nog een ander probleem, dat zeker ook in dit geval meespeelt. We begraven immers een lokaal, een ruimte, een ding. En aangezien je normaal alleen mensen of dieren begraaft, moeten we een paar aanpassingen verrichten, we spreken het lokaal toe als was het een dierbaar mens. Lokaal 117, luister naar ons, gegroet, ave! We spreken je toe met respect en deemoed, dankbaar voor de gastvrijheid die we van jou zo vaak hebben mogen ervaren!

Het gaat hier om de wending tot het personage, de zogenaamde apostrofè. Heel wat scholieren hebben in lokaal 117 kennisgemaakt met deze techniek via de gedichten van Catullus, met name de gedichten over het musje. Even voor de inscii (nitwits) onder u: Catullus zingt een vogeltje toe dat overleden is. Dat vogeltje was de lievelingsknuffel van het meisje van wie hij erg hield. Het is echter onzeker of dat meisje ook van Catullus hield, hij was bang dat het meisje meer van het musje hield dan van hem.

Ik zou graag Catullus volgen in zijn toewending naar de overledene. We hoeven alleen maar het musje te vervangen door lokaal 117. Dan zitten we nog wel met de kwestie wie in dit geval het meisje is. Nu goed, laten we daar onze eigen fantasie volgen, neem iemand in gedachten aan wie u vaak heeft zitten denken toen u in dit lokaal was. In mijn geval is dat erg makkelijk, ik denk dan meteen aan Ike te Strake. Ike te Strake was nogal aanwezig in dit lokaal in de tien jaar dat ik hier verbleef. Niet alleen als ze les gaf, ze kwam ook voortdurend binnen als iemand anders er les gaf, zoals ik bijvoorbeeld. In het begin kon ze even terloops kijken of ik wel goed lesgaf, later was het om boeken uit de kast te halen, maar vooral, denk ik, omdat ze erg graag in dit lokaal 117 was. Lokaal 117 was haar lust en haar leven. Ik maak mijn vrouw dus niet boos als ik in mijn toespraak tot 117 bij het meisje denk aan Ike te Strake. (Ik heb dit vanochtend voor de zekerheid nog even gecheckt bij mijn vrouw, ze zei: ‘Je doet maar!’)

Welnu, ik ga nu het gedicht voorlezen, en als ik daarmee klaar ben gaan we samen een ritueel uitvoeren om lokaal 117 te begraven. Daarover dus zometeen meer. Hier komt het gedicht:
Rouwt, gij machten van Liefde en Verlangen
en wie maar enigszins fijngevoelig is –
het lokaal van mijn collega is dood!
Het lokaal, speeltje van mijn collega:
meer dan haar ogenlicht beminde zij het,
want het was haar hartje en het kende zijn
meesteres zoals een dochter haar moeder;
ook week het niet van haar schoot, nee, nu eens hier
dan weer daar rondhippend, kwetterde het
onafgebroken voor zijn lerares alleen.
Dat lokaal bewandelt nu de duistere paden,
naar die plaats vanwaar, zegt men, niemand weerkeert.
Maar U, vervloekte gemeente Tiel en schoolbestuur, U
vervloek ik, U die alle schoonheid verslindt:
zo’n schattig lokaal hebt U mij ontrukt!
O wandaad! O klein ongelukslokaal!
Door jouw toedoen zijn de oogjes van mijn collega
nu rood en opgezwollen van het huilen.

Zoals ik al zei gaan we nu samen een ritueel uitvoeren om lokaal 117 te begraven. Een Romeins begrafenisritueel bevat de volgende elementen: een processie (optocht), een baar waarop beelden van de dode worden gedragen, fluitspelers, en vrouwen die luid jammeren, de haren uit hun hoofd trekken en hun gezicht openkrabben. We gaan met de optocht naar het lokaal en daar krijgt u verdere instructies van mij. Eerst dus: wie wil me helpen met fluiten en welke vrouwen bieden zich aan om luid te jammeren, haren uit hun hoofd trekken en hun gezicht open te krabben?

De processie gaat lokaal 117 binnen. Daar krijgen de aanwezigen post-its om een wens op te schrijven en te bevestigen aan hun favoriete object in het lokaal. Aarde wordt uitgestrooid over de banken.


zondag 8 december 2019

Schaamte en ook weer niet

Ik bevind me net als u in een familieroman. Geen idee of er een auteur is, maar ik maak hier ter plekke gebruik van de mogelijkheid een stukje mee te schrijven.

Het wordt extra interessant naarmate ik met broers en zussen kan meeschrijven en meelezen. Mijn zus schreef een roman die je denk ik ook (deels) kunt opvatten als familieroman. Het is ook mogelijk de therapieën die we hebben gevolgd, en andere zaken, niet alleen op te vatten als gebeurtenissen maar ook als plaatsen waar we het verhaal van onze familie hebben gelezen en geschreven.

Gisteren kwam ik al wandelend met mijn broer tot de gedachte dat het koppel schuld en schaamte het nodige verheldert van ons leven, hoe we ons door ons leven hebben kunnen bewegen. Heel grof schematiserend zou je kunnen zeggen dat mijn vader en moeder ingebakken zaten in een cultuur waarin schuld vooropstond. Denk aan het geloof, de kerk, de cultuur van de wederopbouw waarin ook zaken als kinderen krijgen en een goede baan erg belangrijk werden gevonden.

Het is maar de vraag of mijn ouders zelf helemaal meegingen in die cultivering van de schuld. Ik denk aan mijn vader die zijn best deed om ons vrij te laten, ook al had hij vaak geen idee van de vanzelfsprekendheid van de kaders waarbinnen hij zich die vrijheid voorstelde. En mijn moeder weerde zich misschien tegen de schuld door zichzelf als slachtoffer te zien, ingeklemd tussen een generatie die haar onder druk zette en een generatie die zij op haar beurt niet onder druk mocht zetten.

Wat betreft de schaamte was er een duidelijk contrast. Mijn vader had weinig op met schaamte, mijn moeder des te meer. Mijn vader toonde graag - zelfs wellustig, en zonder een spoor van twijfel, op het exhibitionistische af - zijn zekerheden, alsmede zijn bewondering voor de helden van de cultuur, de politici, theologen, sporters en de encyclopedie. Mijn moeder spreidde haar klaagzang uit over familieleden en kennissen die ook zo'n exhibitionistisch gedrag vertoonden, vooral als ze opschepten over hun kinderen. Wellicht bracht dit haar ertoe om zich terug te trekken in de schaamte. Met als gevolg dat ook wij ons gingen schamen, voor wie we waren, voor ons onvermogen op allerlei gebied, en voor de ijdele mensen om ons heen die geen last hadden van schaamte.

Zo raakten we ingeklemd tussen schaamteloosheid en schaamte. Ik zeg 'we', maar laat ik vooral voor mezelf spreken. Tegenwoordig vraag ik me af of ik me niet ten onrechte schuldig heb gevoeld, en zelfs of het schuld was wat ik voelde. Ik heb me denkelijk van dat schuldgevoel effectief bevrijd door geleidelijk de maatstaven af te wijzen waarmee ik werd beoordeeld, en waarmee ik lange tijd mezelf beoordeelde. In de therapie kwam ik erachter dat ik niet werd gehinderd door schuld, maar door angst, angst om niet te voldoen aan maatstaven die niet de mijne waren maar waarvan ik dacht dat anderen die hanteerden.

Nog steeds verlopen mijn dagen volgens het schema van de depressie. Ik begin met angst, en in de loop van de dag maakt die angst plaats voor opluchting. Anderen stellen me gerust, wat er gebeurt stelt me meestal gerust, en aan het eind van de dag blijkt dat ik het heb overleefd.

Je kunt zo'n leven prima leven. Ik heb 'helpende' gedachten ontdekt, waaronder de idee dat we hoe dan ook volgens strenge maatstaven allemaal tekortschieten. Nou goed, dan is dat maar zo. Daarna leven we nog en dat geeft een bepaalde vrijheid, de vrijheid en onschuld van degene die zijn veroordeling al achter de rug heeft. En zo zijn er meer gedachten die kunnen helpen. Denk aan de mooie dingen die we al hebben bereikt en waarmee we zelfs die strenge maatstaven recht in het gezicht kunnen kijken.

Het drama van de schuld heb ik dus vooral als iets uiterlijks gezien, als iets van een cultuur die mogelijk zelfs uiterlijk bleef aan mijn ouders. Anders ligt het met de schaamte. Daar heeft zich in mijn leven een conflict afgespeeld waarvan ik nu de lijnen pas begin te onderscheiden. Ik zwenk tussen het exhibitionisme van mijn vader en de schaamte van mijn moeder. Ogenschijnlijk moeiteloos, maar er lijkt geen tussenweg, geen bemiddelend element waardoor ik meer vat krijg op die zwenkingen.

De vraag is ook of dat nodig is. Schaamte is niet iets waarvan ik graag afstand doe. En voorzover het me blokkeert kan ik altijd nog teruggrijpen op het voorbeeld van mijn vader. Tot op zekere hoogte vullen beide modellen elkaar prima aan.

Misschien verklaart het contrast tussen exhibitionisme en schaamte wel mijn voorkeur voor precies deze ruimte. De blog waarin ik me graag toon en waarvoor ik me tegelijk schaam. Ik toon vervolgens weer graag mijn schaamte en schaam mij daar vervolgens weer voor. Het is een wonderlijk spel dat zich hier onder uw ogen afspeelt.

Hopelijk is dit spel iets begrijpelijker geworden, en dat zou het zeker zijn als u mijn vader en moeder had gekend. Dan zou alles op zijn plaats vallen. Maar ook zonder dat zult u ongetwijfeld begrip opbrengen, en wie weet vindt u het zelfs wel een beetje amusant. En ook dat delen we dan weer.

Afbeeldingsresultaat voor shame